ECLI:NL:RBDHA:2021:15596
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening verblijf bij familie wegens mvv-vereiste en belangenafweging
Verzoeker, van Albanese nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het doel verblijf bij een familielid met de Nederlandse nationaliteit. Deze aanvraag werd op 11 november 2020 afgewezen omdat verzoeker niet voldeed aan het mvv-vereiste. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang had omdat hij elk moment uitgezet kon worden en illegaal verbleef. Verzoeker stelde dat de weigering in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege de coronacrisis die reizen bemoeilijkte en de gesloten Nederlandse ambassade in Albanië. Ook voerde hij aan dat de IND ten onrechte rekening hield met een oude veroordeling voor winkeldiefstal.
De IND had echter een belangenafweging gemaakt waarbij het feit dat verzoeker zonder geldige vergunning het gezinsleven in Nederland uitoefende en de mogelijkheid om een mvv aan te vragen in een andere ambassade werden meegewogen. De voorzieningenrechter vond dat de IND deze belangenafweging terecht in het nadeel van verzoeker had laten uitvallen. Ook de hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht omdat de omstandigheden niet bijzonder genoeg waren.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.