ECLI:NL:RBDHA:2021:15579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2021
Publicatiedatum
10 februari 2022
Zaaknummer
NL20.20020
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op basis van seksuele gerichtheid en geloofwaardigheid van verklaringen

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 22 maart 2021 uitspraak gedaan in een asielprocedure waarbij de eiser, een Gambiaanse man, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd. De aanvraag is afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die van mening was dat de verklaringen van de eiser over zijn seksuele gerichtheid niet geloofwaardig waren. Eiser heeft gesteld dat hij homoseksueel is en dat hij in Gambia bedreigd werd vanwege zijn geaardheid. Hij heeft zijn relaas onderbouwd met verklaringen over zijn relaties en de gevolgen daarvan in zijn thuisland. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de verklaringen van eiser summier en niet overtuigend waren, en dat verweerder niet ten onrechte van eiser heeft verlangd om meer inzicht te geven in zijn proces van zelfacceptatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beleid omtrent de beoordeling van asielaanvragen niet is veranderd en dat de vragen die aan eiser zijn gesteld tijdens het gehoor in overeenstemming waren met de geldende richtlijnen. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd om zijn claims te onderbouwen, en dat de documenten die hij heeft overgelegd niet overtuigend waren. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard, wat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag door de Staatssecretaris in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.20020

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen).

ProcesverloopBij besluit van 22 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P.M. Diagne. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [1998] en is van Gambiaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn relaas ten grondslag gelegd dat hij na het overlijden van zijn ouders in contact is gekomen met [A] , een man die aanbood voor hem te zorgen. Zij kregen een seksuele relatie. Toen eiser ontdekte dat [A] ook seks had met een andere man, werd hij jaloers en kwam hij er achter dat hij homoseksueel is. Omdat eiser geen aandacht meer kreeg van [A] , heeft hij aan zijn goede vriend [B] verteld dat hij homoseksueel is en uiteindelijk kregen zij een relatie. Eiser heeft voorts gesteld dat hij op 7 april 2014 van een jongen hoorde dat [B] ruzie had gekregen op het voetbalveld en was doodgeslagen omdat hij homoseksueel was. Eiser heeft gesteld dat deze jongen tegen hem heeft gezegd dat de mensen die [B] hadden doodgeslagen wisten dat [B] een relatie had met eiser en dat hij de volgende zou zijn. Hierop is eiser direct vertrokken naar zijn oom en heeft hij het land verlaten.
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • seksuele gerichtheid;
  • problemen als gevolg van seksuele gerichtheid.
Het eerste element heeft verweerder geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser omtrent zijn seksuele gerichtheid en de problemen als gevolg daarvan zijn door verweerder niet geloofwaardig geacht.
3. Eiser heeft gesteld dat het beleid wel degelijk is aangepast en dat verweerder ten onrechte van eiser heeft verlangd om meer inzichtelijk te maken hoe zijn proces van zelfacceptatie is gegaan. Zijn gehoren in 2019 zijn gericht geweest om antwoord te krijgen op een interne worsteling terwijl dit niet de bedoeling was. Verweerder heeft zelf op 24 maart 2020 aangegeven dat er nog immer scholing en workshops nodig zijn om IND medewerkers uit te leggen wat de schrapping van het bewustwordings- en zelfacceptatiecriterium inhoudt. Ook heeft eiser gewezen op de uitdraai uit zijn medisch dossier van 1 december 2020 en hij heeft ter zitting gesteld dat verweerder ten onrechte met een westerse bril naar het relaas van eiser heeft gekeken.
4. De rechtbank stelt vast dat het bewustwordings- en zelfacceptatiecriterium bij inwerkingtreding van werkinstructie 2018/9 op 1 juli 2018 is geschrapt. Nu eiser is gehoord in mei 2019, is geen sprake van nieuw beleid. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser niet, in strijd met de werkinstructie, tijdens het gehoor is gevraagd naar het proces van zelfacceptatie. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat nu eiser uit zichzelf heeft verteld over de acceptatie van en twijfels over zijn seksuele gerichtheid, van hem verwacht mocht worden dat hij met zijn verklaringen beter inzicht gaf in de manier waarop hij met zijn seksuele gerichtheid is omgegaan en hoe hij dit heeft ervaren. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat uit het besluit in voldoende mate blijkt dat het zwaartepunt bij de beoordeling lag bij eisers eigen ervaringen en persoonlijke beleving met betrekking tot zijn gerichtheid en wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, zodat dit conform het huidige beleid heeft plaatsgevonden. Dat er nog scholing en workshops plaatsvinden, maakt dit niet anders. Anders dan eiser heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder met een westerse bril heeft gekeken naar eisers relaas. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat voodoo een belangrijke rol had in zijn leven en hiernaar in de gehoren ten onrechte niet naar is gevraagd, oordeelt de rechtbank dat eiser zelf hierover niets heeft verklaard en dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om tijdens het gehoor onderwerpen van zijn relaas die voor hem belangrijk zijn naar voren te brengen. Ter zitting is evenmin duidelijk geworden hoe eisers geloof in voodoo in verband staat tot zijn relaas.
5. Eiser stelt voorts dat hij zich het beste kan uitdrukken in zijn eigen moedertaal. Hij geeft dan ook aan dat hij zijn best heeft gedaan met de tolk Engels omdat er tegen hem is gezegd dat er geen tolk Wolof beschikbaar was.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser deze grond ook al in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Omdat verweerder hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser in beroep niet nader heeft onderbouwd waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan de enkele herhaling hiervan in beroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
7. Eiser stelt dat hij niet weet waarom zijn oom hem eerst heeft geholpen en later valse documenten naar hem heeft gestuurd. Pas na eisers vertrek heeft hij alle verhalen over hem te horen gekregen. Eiser stelt dat zijn oom niet wil dat hij homoseksueel blijft. Hij wijst erop dat bijvoorbeeld niemand uit zijn herkomstgebied facebook vrienden met hem wil worden. Ook geeft eiser aan dat hij heel graag via zijn oom informatie wil krijgen over zijn jongere broertje, maar zijn oom weigert hem iets te zeggen.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser een aantal documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn relaas. Bureau Documenten heeft het overgelegde arrestatiebevel, de verklaring onder ede van [C] en de verklaring van de advocaat vals bevonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser degene is die de documenten ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft overgelegd, en dat het zijn eigen verantwoordelijkheid is om op de hoogte te zijn van de inhoud en echtheid van deze documenten. Het of en waarom de oom valse documenten heeft gestuurd, is dus niet relevant in dit kader. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaring dat zijn oom wellicht opzettelijk documenten heeft opgestuurd die niet in orde zijn, niet stroken met zijn eerdere verklaringen dat deze oom hem juist heeft geholpen.
9. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte aanvoert dat eiser summier heeft verklaard. Hij heeft de waarheid verteld en heeft ook over de consequenties gesproken. Ook geeft eiser aan dat verweerder ten onrechte de verklaringen van eiser heeft bestempeld als blijven hangen in algemeenheden.
10. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen en besluit uitvoerig uiteen heeft gezet op welke punten eiser summier heeft verklaard en is blijven hangen in algemeenheden. Zo heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij slechts summier en oppervlakkig heeft verklaard omtrent de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid en dat hij over de consequenties van het zijn van homoseksueel slechts summier heeft verklaard. Ook heeft verweerder eiser gemotiveerd tegengeworpen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over de manier waarop hij met zijn seksuele gerichtheid is omgegaan. De enkele stelling van eiser in beroep dat hij niet summier heeft verklaard, kan niet worden aangemerkt als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit, zodat dit niet kan leiden tot vernietiging van het besluit.
11. Eiser stelt voorts dat hij een relatie heeft gehad met [D] , toen zij beiden in Ter Apel verbleven. Nu hij in [plaats] woont ziet hij hem niet zo veel meer.
12. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ruim de tijd heeft gehad om deze relatie te onderbouwen en dat bovendien de brief van [E] , die hij heeft overgelegd, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde relatie. Deze enkele stelling in beroep maakt dit niet anders.
13. Eiser stelt voorts dat de verklaringen van de heer [F] ten onrechte niet worden gevolgd. Eiser geeft aan dat hij in Afrika dit soort gesprekken nooit heeft gehad met de heer [F] . Pas nadat eiser hem teruggevonden had via social media heeft hij hem verteld over zijn homoseksualiteit. Er is dan ook geen sprake van tegenstrijdige verklaringen.
14. De rechtbank stelt vast dat eiser bij de zienswijze een verklaring heeft overgelegd van de heer [F] . Verweerder heeft in de besluitvorming uitvoerig uiteen gezet dat de verklaring van de heer [F] op meerdere cruciale onderdelen in strijd is met eisers verklaringen. Zo heeft verweerder vastgesteld dat de verklaringen van de heer [F] dat eiser seksuele handelingen verrichtte met andere jongens in het groepshuis niet strookt met de eigen verklaringen van eiser dat hij alleen met [A] en [B] seksuele handelingen verrichtte. Ook heeft verweerder tegengeworpen dat de verklaring dat eiser aan de heer [F] heeft verteld over zijn relatie met [B] niet strookt met zijn eigen verklaring dat hij alleen met [A] en [B] over zijn homoseksualiteit heeft gesproken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen. De beroepsgrond slaagt niet.
15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid vanmr. M.A. Beijl, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
22 maart 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.