ECLI:NL:RBDHA:2021:15556
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke identiteit
Eiser, van Chinese nationaliteit en geboren in 1989, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel. De aanvraag werd primair afgewezen omdat eiser zijn identiteit en de feitelijke gezinsband met de referente niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank oordeelt dat eiser geen originele identificerende documenten heeft overgelegd en ook geen substantieel indicatief bewijs heeft geleverd.
Eiser stelde dat hij zijn identiteitsdocument tijdens zijn vlucht uit Tibet was kwijtgeraakt en verwees naar een verklaring van een Welfare Society. De rechtbank acht deze verklaring onvoldoende verifieerbaar en concludeert dat eiser niet in bewijsnood verkeert, mede omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij pogingen heeft gedaan om documenten te verkrijgen.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen nader onderzoek hoefde te verrichten, zoals het aanbieden van een identificerend gehoor. Ook de stelling dat de hoorplicht is geschonden wordt verworpen omdat vooraf redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag blijft in stand.