ECLI:NL:RBDHA:2021:15492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2021
Publicatiedatum
27 januari 2022
Zaaknummer
NL21.2570
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was inmiddels opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring voldoende was gemotiveerd met twee zware gronden: het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het verstrekken van tegenstrijdige gegevens over identiteit en reis. Deze gronden droegen het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte deze gronden, maar de rechtbank vond de motivering voldoende en aannemelijk.

Eiser stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend was omdat hij zich tijdens de procedure beschikbaar hield. De rechtbank stelde echter vast dat verweerder specifiek had gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk was, mede vanwege eerdere weigering tot medewerking aan overdracht en eerdere terugkeer na bewaring. Daarom was het toepassen van een lichter middel niet redelijk.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.2570
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 26 februari 2021 de maatregel van bewaring opgeheven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de
Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert in het kader van de zware grond onder 3a aan dat hij als asielzoeker Nederland is binnengekomen, omdat hij in Duitsland niet de benodigde opvang kreeg. Daarnaast stelt eiser dat de zware grond onder 3e toepassing mist, aangezien hij in Nederland de juiste gegevens heeft opgegeven. Voorts heeft eiser nooit willens en wetens de autoriteiten misleid, dan wel tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Eiser heeft ook alle overige gronden betwist.
4. De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De feitelijke juistheid van grond 3a blijkt voldoende uit de motivering van de maatregel van bewaring. Eiser was niet in het bezit van geldige reisdocumenten toen hij Nederland inreisde en is Nederland dus niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen. Met betrekking tot de zware grond onder 3e geldt dat eiser tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in Duitsland en Nederland. Uit het claimakkoord van 30 oktober 2020 blijkt namelijk dat eiser bij verschillende gelegenheden andere geboortedata heeft opgegeven. Aldus heeft verweerder de feitelijke juistheid van de zware gronden onder 3a en 3e voldoende toegelicht in de maatregel.
6. Deze twee gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Zij kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Al om die reden slaagt de beroepsgrond niet. De rechtbank laat daarom de overige geschilpunten over de gronden van de bewaring onbesproken.
Lichter middel
7. Eiser voert tot slot aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, aangezien hij de gehele procedure op het AZC verbleef en daar ook ten alle tijde beschikbaar was voor verweerder. Verweerder had dus kunnen volstaan met het opleggen van een meldplicht en heeft onterecht in de maatregel niet toegelicht waarom dit niet is gebeurd.
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
8. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen dan de inbewaringstelling. Volgens vaste rechtspraak mag verweerder daarbij niet alleen verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel specifiek motiveren waarom hij de bewaring noodzakelijk vindt. Daarbij moet verweerder ook ingaan op persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dat heeft verweerder in deze zaak gedaan en de rechtbank is van oordeel dat er geen lichter middel toegepast hoefde te worden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser verschillende keren, zowel in het gehoor voor de inbewaringstelling als in het vertrekgesprek, duidelijk heeft verklaard niet mee te willen werken aan zijn overdracht aan Duitsland. Daarnaast is eiser al eerder op 22 oktober 2019 overgedragen vanuit vreemdelingenbewaring en hij is vervolgens weer terug naar Nederland gekomen. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een significant risico dat eiser zich aan het toezicht onttrekt. Dit volgt ook uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Verweerder heeft in deze zaak dus mogen besluiten dat een lichter middel niet zal leiden tot het zelfstandig vertrek van eiser. De beroepsgrond slaag niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 maart 2021

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.