ECLI:NL:RBDHA:2021:15351
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Dublin-procedure
Verzoeker heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-verordening.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een verwante zaak op 23 februari 2021, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet nodig was omdat op dezelfde dag uitspraak werd gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL21.1993). Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, en mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier, op 25 februari 2021. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.