ECLI:NL:RBDHA:2021:15135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2021
Publicatiedatum
10 januari 2022
Zaaknummer
21/4343
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken belanghebbende bij omgevingsvergunning uitweg

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning die aan een derde-partij is verleend voor het aanleggen van een uitweg op een locatie in Oegstgeest. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tegen deze vergunning.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker op circa 900 meter afstand woont van de uitweg en geen zicht heeft op de uitweg vanaf zijn perceel. Daarnaast zijn er geen ruimtelijke gevolgen voor de woonomgeving van verzoeker. Om als belanghebbende te worden aangemerkt, moet een persoon een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat hem onderscheidt van anderen en rechtstreeks wordt geraakt door het besluit.

Gezien de afstand, het ontbreken van zicht en het ontbreken van feitelijke gevolgen van enige betekenis, concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het feit dat verzoeker een college-controlerende functie als raadslid heeft, verandert hier niets aan.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker geen belanghebbende is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/4343

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 december 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats 1] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, verweerder(gemachtigde: S. Matters).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij] , te [woonplaats 2]

(gemachtigde: mr. H.C.M. Kortman).

Procesverloop

In het besluit van 29 april 2021 (primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een uitweg op het adres [adres] [huisnummer] in [plaats] .
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
In het besluit van 9 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verzoeker is het niet eens met de aan derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat de uitweg op circa 900 meter afstand van de woning van verzoeker ligt en dat verzoeker vanuit zijn woning ook geen zicht heeft op de uitweg. Daarnaast heeft de uitweg volgens verweerder geen ruimtelijke gevolgen voor de woonomgeving van verzoeker. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende en heeft eisers bezwaar in het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. In het verweerschrift heeft verweerder zich eveneens op het standpunt gesteld dat verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.
4. Om belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te zijn bij de omgevingsvergunning, dient verzoeker een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Als correctie daarop geldt dat als een betrokkene geen gevolgen van enige betekenis ondervindt, hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt [1] . Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
5. Nu vaststaat dat verzoeker woont op een afstand van circa 900 meter tot de uitweg die de omgevingsvergunning mogelijk maakt en hij daarop vanaf zijn perceel ook geen zicht heeft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen feitelijke gevolgen ondervindt zodat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Dat verzoeker stelt als raadslid een college-controlerende functie te hebben, maakt dit niet anders.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.A. Linthout, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
3 december 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.