ECLI:NL:RBDHA:2021:14986
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen stopzetting Ziektewetuitkering na verkeersongeval ondanks schending hoorplicht
Eiser, werkzaam als verkeersregelaar, raakte op 12 oktober 2018 gewond bij een aanrijding door een bus, met onder meer een densfractuur en andere letsels tot gevolg. Verweerder stopte op 4 oktober 2019 de Ziektewetuitkering per 12 november 2019, omdat eiser volgens verzekeringsartsen met de geduide functies meer dan 65% van zijn maatmanloon kon verdienen.
Eiser stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen, onder meer vanwege een rapport van een medisch adviseur in een letselschadeprocedure en psychische klachten. Tevens werd de hoorplicht geschonden omdat eiser niet werd gehoord in bezwaar, ondanks zijn wens daartoe. De rechtbank constateerde de schending, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe omdat eiser niet benadeeld was; zijn argumenten waren schriftelijk en mondeling toegelicht en het besluit zou hetzelfde zijn gebleven.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat het rapport van de verzekeringsarts b&b de beperkingen adequaat weerspiegelde en dat het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen. Ook de arbeidsdeskundige heroverweging in bezwaar was onvoldoende gemotiveerd, maar dit gebrek werd eveneens gepasseerd wegens het ontbreken van nadeel voor eiser.
Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard, verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het besluit tot stopzetting van de Ziektewetuitkering bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de stopzetting van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard ondanks schending van de hoorplicht en gebreken in de heroverweging.