ECLI:NL:RBDHA:2021:14956
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.M.M. Kettenis- de Bruin
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en schending hoorplicht bij bezwaarprocedure
Eiseres was werkzaam als medewerker vastgoed en infrastructuur en meldde zich op 22 mei 2017 ziek. Verweerder kende haar per 1 juni 2019 een WIA-uitkering toe na beoordeling dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren en de wachttijd juist was vastgesteld.
Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar hoorplicht was geschonden, haar werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht en dat zij de werkzaamheden volledig had hervat, waardoor de wachttijd onjuist was vastgesteld. De rechtbank stelde vast dat de re-integratie-inspanningen door een arbeidsdeskundige als voldoende waren beoordeeld en dat eiseres dit niet onderbouwde.
De rechtbank concludeerde dat de wachttijd terecht was vastgesteld omdat er geen sprake was van volledige werkhervatting. Hoewel verweerder ten onrechte geen hoorzitting hield voorafgaand aan de beslissing op bezwaar, was er geen sprake van benadeling omdat eiseres in de beroepsfase alsnog haar standpunten kon toelichten.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht wegens de schending van de hoorplicht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van proceskosten wegens schending van de hoorplicht.