ECLI:NL:RBDHA:2021:14745
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning arbeid zelfstandige en gezinslid wegens ontbreken wezenlijk Nederlands belang
Eiser, een Australische ondernemer, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige. Hij richtte samen met een Nederlandse partner een onderneming op die Australisch hardhout importeert. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) gaf een negatief advies omdat onvoldoende toegevoegde waarde voor Nederland werd aangetoond, met name op het gebied van innovatie, investeringen en arbeidscreatie.
Verweerder wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat het RvO-advies een zorgvuldig en inzichtelijk deskundigenadvies is waarop hij zich mocht baseren. Eiser voerde aan dat hij zijn ondernemingsplan had aangepast en meer punten zou moeten krijgen, maar kon dit niet objectief onderbouwen.
Daarnaast diende eiseres, de minderjarige dochter van eiser, een aanvraag in voor verblijf als gezinslid. Deze werd eveneens afgewezen omdat het verblijf van eiser niet rechtmatig was, waardoor ook haar aanvraag niet kon worden gehonoreerd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het RvO-advies aan het besluit ten grondslag legde en dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang dient. Het beroep van zowel eiser als eiseres werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de verblijfsvergunningen worden ongegrond verklaard wegens ontbreken van een wezenlijk Nederlands belang en rechtmatig verblijf.