Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
Eiser ontving sinds 1997 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (Tw) vanwege een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In 2019 verhoogde verweerder de WAO-uitkering van eiser, wat leidde tot beëindiging van de toeslag per 1 oktober 2019, omdat het gezamenlijke inkomen boven het sociaal minimum uitkwam.
Eiser stelde dat de toeslag met terugwerkende kracht vanaf 1997 toegepast had moeten worden vanwege een foutieve keuring in dat jaar. Tevens vorderde hij toewijzing van ingebrekestellingen en een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit terecht was, omdat eiser onvoldoende onderbouwde dat zijn inkomen op 1 oktober 2019 onder het sociaal minimum lag.
De rechtbank stelde vast dat de ingebrekestelling van 15 april 2020 prematuur was, omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Verweerder had de termijn verlengd en opgeschort vanwege een verzuim van eiser. Er was geen nieuwe ingebrekestelling ontvangen na de prematuur verklaarde. De rechtbank zag geen grondslag voor het standpunt van eiser dat bij een prematuur ingebrekestelling verweerder van de eerst mogelijke dag van ingebrekestelling moet uitgaan.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen dwangsom toegekend. Er was ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de toeslag per 1 oktober 2019 terecht beëindigd zonder toekenning van een dwangsom.