Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 december 2021 in de zaak tussen
[verzoekster] h.o.d.n. [h.o.d.n. 1] , te [vestigingsplaats] , verzoekster
[derde-partij] h.o.d.n. [h.o.d.n. 2], te [vestigingsplaats] .
Rechtbank Den Haag
Verzoekster woont naast een perceel waar een paardenhouderij wordt geëxploiteerd. Zij maakte meerdere meldingen over illegale werkzaamheden zoals afgravingen, het storten van zand, aanleg van een paardenbak en het gebruik van een mestplaat. De gemeente weigerde handhavend op te treden omdat een omgevingsvergunning was aangevraagd, wat volgens hen concreet zicht op legalisatie bood.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de exploitatie van de paardenhouderij en het gebruik van de mestplaat in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat er geen concreet zicht op legalisatie is omdat nog geen ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Het primaire besluit van de gemeente is daarom evident onrechtmatig.
De rechter schorst het primaire besluit en beveelt de gemeente binnen twee weken een handhavingsbesluit te nemen om het gebruik van de mestplaat te beëindigen. Een volledige staking van de pensionstalling is te vergaand gezien het belang van de exploitant. Verzoekster krijgt vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het primaire besluit wordt geschorst en de gemeente moet binnen twee weken handhavend optreden tegen het gebruik van de mestplaat.