Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
,eiser/verzoeker
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Ivoriaanse vader met een minderjarige Nederlandse zoon, vroeg op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet Pro 2000 een verblijfsdocument aan als verzorgende ouder. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aantoonde meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken te verrichten, zoals vereist op basis van het arrest Chavez-Vilchez.
Eiser stelde in beroep dat hij intensief contact heeft met zijn zoon en dat het beleid van verweerder in strijd is met het Unierecht en het arrest Chavez-Vilchez. De rechtbank overwoog dat het arrest bepaalt dat een verblijfsrecht kan worden ontleend indien er een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende bewijs leverde van daadwerkelijke zorgtaken en dat de verklaringen en bewijsstukken onvoldoende objectief waren. Het enkele brengen en halen naar de crèche en het verblijf van het kind in het weekend bij eiser waren niet voldoende aangetoond. De rechtbank oordeelde dat verweerder de aanvraag terecht afwees en dat het beroep ongegrond is. De gevraagde voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsaanvraag is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.