ECLI:NL:RBDHA:2021:13742
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag en weigering verblijfsvergunning op grond van EVRM artikel 3 en 8
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende man, diende in juni 2020 een asielaanvraag in Nederland in. Hij stelde bedreigd te zijn in Irak vanwege zijn huwelijk met een sjiitische vrouw, en verzocht om een verblijfsvergunning asiel en regulier op grond van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de bedreigingen en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.
De rechtbank behandelde het beroep op 11 november 2021 en concludeerde dat de geloofwaardigheid van de identiteit niet in geschil was, maar dat het risico op ernstige schade niet aannemelijk was. De rechtbank oordeelde dat de bedreiging beperkt was tot één incident en dat eiser en zijn echtgenote geen problemen hadden ondervonden tijdens hun verblijf in Irak. Ook was er geen objectieve belemmering om het gezinsleven in Irak voort te zetten.
Verder werd beoordeeld dat het belang van de Nederlandse staat bij het handhaven van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog dan het belang van eiser om gezinsleven in Nederland te voeren. De stappen van eiser en zijn echtgenote om hun positie in Nederland te verbeteren waren onvoldoende. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en weigering van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3 en 8 EVRM is ongegrond verklaard.