Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2021 in de zaak tussen
[eiseres] BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet).
in aanmerking nemende dat:
Artikel 1Partiele beëindiging aannemingsovereenkomst
ten aanzien van de door [eiseres] met betrekking tot het Werk op 20 februari 2013 uitgevoerde werkzaamhedenin stand blijft, hetgeen onder meer betekent dat [eiseres] ten aanzien van de werkzaamheden aan
het woonhuis en het zwembadde verplichtingen waaronder die uit verborgen gebreken, die voor haar voortvloeien uit § 11 en 12 UAV 1989 en de door haar verstrekte en nog te verstrekken garanties onverkort moet naleven. [Eiseres] regelt dat [opdrachtgever] rechtstreeks aanspraak kan maken op de door de volgende onderaannemers aan [eiseres] verstrekte garanties: (…). Indien en voorzover deze onderaannemers hun garantieverplichtingen op het Werk nakomen, zal [opdrachtgever] daarvoor [eiseres] niet aanspreken.
Artikel 2 Financi Proële afwikkeling
Artikel 9 Finale Pro kwijting
eventueel openstaande rekeningen over en weer en geven partijen finale
kwijting over het werk.
2. Goedkeuring
6. Moment van tariefbepaling
20 februari 2013 hebben eiseres en opdrachtgever afgesproken dat eiseres nog enkele werkzaamheden zou uitvoeren en dat zij daarna uit elkaar zouden gaan. Op 20 maart 2013, de datum van de vaststellingsovereenkomst, heeft de opdrachtgever het werk aanvaard in de staat waarin het toen verkeerde en zijn de risico’s en aansprakelijkheden overgegaan op opdrachtgever. Vanaf dat moment moest de opdrachtgever zelf het werk verzekeren.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 414.195 en vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de boetebeschikking tot € 24.291;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,00.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2021.