ECLI:NL:RBDHA:2021:13615
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op militair invaliditeitspensioen wegens aangeboren rugafwijking
Eiser, voormalig marinier werkzaam van oktober 1977 tot november 1981, vroeg een militair invaliditeitspensioen aan dat werd afgewezen door verweerder. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De kern van het geschil betrof de vraag of de lage rugklachten van eiser, veroorzaakt door een aangeboren afwijking (lumbalisatie S1 en lumbale scoliose), een verergerend dienstverband vormden. Eiser stelde dat hij onvoldoende gehoord was en dat er geen onderzoek was gedaan naar zijn medische situatie bij aanvang van de militaire dienst.
De rechtbank oordeelde dat eiser tijdig was gevraagd of hij gehoord wilde worden, maar niet binnen de gestelde termijn had gereageerd. Verweerder mocht daarom op grond van de Awb afzien van een hoorzitting. De verzekeringsgeneeskundige rapportages waren zorgvuldig en toonden aan dat de rugafwijking een autonoom proces was, met slechts marginale invloed van de militaire dienst.
Daarom was de afwijzing van het invaliditeitspensioen terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het militair invaliditeitspensioen wordt ongegrond verklaard.