ECLI:NL:RBDHA:2021:13567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2021
Publicatiedatum
9 december 2021
Zaaknummer
NL21.11461 en NL21.11463
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen van staatloze Palestijnen op basis van onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over de asielaanvragen van een gezin van staatloze Palestijnen. De aanvragen werden op 9 juli 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk verklaard, omdat de eisers niet in staat waren om hun identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. De rechtbank heeft de beroepen van de eisers op 12 november 2021 behandeld, waarbij eisers werden bijgestaan door hun gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de door eisers overgelegde documenten, waaronder een rijbewijs en huwelijksdocumenten, niet authentiek waren volgens het Bureau Documenten van de IND. De rechtbank concludeerde dat de deskundigenrapporten van de eisers geen nieuwe relevante informatie boden die de eerdere afwijzing van hun aanvragen kon onderbouwen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvragen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat de beroepen ongegrond zijn. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt het belang van het kunnen aantonen van identiteit en nationaliteit in asielprocedures, vooral bij herhaalde aanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL21.11461 en NL21.11463
V-nummers: [Nummer 1], [Nummer 2] en [Nummer 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[Naam 1], eiser,

[Naam 2], eiseres,
Mede namens hun minderjarige zoon
[Naam 3],
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

ProcesverloopBij twee afzonderlijke besluiten van 9 juli 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Daarnaast hebben zij gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (NL21.11462 en NL21.11464).
De rechtbank heeft de beroepen, tezamen met de zaken NL21.11462 en NL21.11464, op 12 november 2021 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [Geb. datum 1] 1975 en [Geb. datum 2] 1992. Zij stellen staatloze Palestijnen te zijn die afkomstig zijn uit vluchtelingenkamp [plaats], Syrië. Hun minderjarige zoon [Naam 3] is in Nederland geboren op [Geb. datum 3] 2016. Hun asielaanvragen van 27 juni 2015 zijn afgewezen als ongegrond, omdat zij hun identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk hadden gemaakt. De (hoger) beroepen van eisers zijn ongegrond verklaard. [1]
Op 30 juni 2017 hebben eisers opnieuw asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen. Ook hierna zijn de (hoger) beroepen van eisers ongegrond verklaard. [2]
Eisers hebben op 1 november 2017 voor de derde maal asiel gevraagd. Deze aanvragen hebben zij op 19 januari 2018 ingetrokken. Ook hun vierde aanvragen, van 15 februari 2019, hebben zij, op 19 februari 2020, ingetrokken.
2. Op 17 augustus 2020 hebben eisers de huidige asielaanvragen (verder: de aanvragen) ingediend. Hieraan hebben zij een als contra-expertise uitgebracht rapport van 8 juni 2020 ten grondslag gelegd. Dit rapport is opgesteld door [Naam 4] en [Naam 5] en is een reactie op de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van de IND (Bureau Documenten) van 22 februari 2019 over de documenten die eisers eerder aan hun ingetrokken aanvragen van 15 februari 2019 ten grondslag hadden gelegd: een origineel op naam van eiser gesteld rijbewijs en twee verklaringen over het huwelijk van eisers. Daarnaast hebben eisers bij hun aanvragen nog medische stukken overgelegd. Deze medische stukken zijn echter niet bedoeld als onderbouwing van hun asielaanvraag, zo stellen eisers in beroep.
3. Verweerder heeft de aanvragen niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens hem niet is gebleken van nieuwe elementen en bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. [3] Hierbij heeft verweerder verwezen naar het weerwoord van Bureau Documenten van 8 september 2020, waarin wordt geconcludeerd dat het door eisers overgelegde rapport van 8 juni 2020 geen aanleiding vormt om het eerder oordeel over de overgelegde documenten te herzien. Over de verklaringen over het huwelijk heeft verweerder daarnaast nog opgemerkt dat deze de identiteit van eisers niet onderbouwen.
4. Eisers stellen zich op het standpunt dat hun asielaanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Hiervoor hebben zij verwezen naar wat zij bij de zienswijze naar voren hebben gebracht. In het bijzonder verwijzen zij naar de reactie van de door hen ingeschakelde deskundigen op het weerwoord van Bureau Documenten. Eisers bestrijden de conclusie van verweerder dat er aanleiding bestaat om de deskundigheid van [Naam 4] in twijfel te trekken. Bovendien heeft het rapport ook in dat geval nog betekenis, in de zin dat het rapport kritische kanttekeningen bevat die reden moeten zijn om eisers het voordeel van de twijfel te geven, althans om nader onderzoek te doen. Eisers wijzen hierbij op het commentaar in Update van VluchtelingenWerk Nederland bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 9 oktober 2020. [4]
Specifiek over de huwelijksakte voeren eisers aan, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 [5] , dat verweerder niet voorbij kan gaan aan dit document op de enkele grond dat de authenticiteit ervan niet kan worden vastgesteld. Verweerder heeft de huwelijksakte onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken door te overwegen dat deze niet kan dienen tot vaststelling van de identiteit van eisers.
Tot slot stellen eisers dat zij hadden moeten worden gehoord op hun aanvraag.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan niet ontvankelijk worden verklaard als er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. [6]
6. Bij de beoordeling van de vraag of het als contra-expertise overgelegde rapport van 8 juni 2020 relevante nieuwe bevindingen bevat, heeft verweerder allereerst betrokken dat eisers bij hun eerdere - ingetrokken - aanvragen een origineel rijbewijs en verklaringen over hun huwelijk hebben overgelegd en dat deze documenten vervolgens zijn beoordeeld door Bureau Documenten. [7] Het rijbewijs is toen beoordeeld als “met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt”. Als toelichting is daarbij vermeld dat het document qua detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie-/druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkomt met intern bekende informatie. In het weerwoord van 8 september 2020 heeft Bureau Documenten nader toegelicht dat de ondergrondbedrukking van een rijbewijs van dit type moet bestaan uit een druktechniek en het documentnummer moet zijn aangebracht middels hoogdruk.
7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze bevindingen en conclusies van Bureau Documenten concreet en inzichtelijk en heeft verweerder deze als een deskundigenoordeel kunnen gebruiken ter onderbouwing van het bestreden besluit. De tegenwerping van [Naam 4] dat Bureau Documenten niet inzichtelijk maakt waar men de gestelde informatie over het rijbewijs vandaan haalt, leidt niet tot twijfel aan de juistheid, volledigheid of wijze van totstandkoming van het oordeel van Bureau Documenten op dit onderdeel. Allereerst ligt het in zijn algemeenheid voor de hand dat een waardevol document als een rijbewijs met het oog op het risico van vervalsing niet wordt vervaardigd met een eenvoudige reproductietechniek. Verweerder is verder niet gehouden om gebruikte bronnen te onthullen. In het weerwoord van 8 september 2020 is in dit verband nog wel opgemerkt dat Bureau Documenten per week enkele tientallen rijbewijzen uit Syrië onderzoekt. In het bestreden besluit is daarnaast overwogen dat Bureau Documenten de beschikking heeft over specimina die men zowel van Nederlandse overheidsinstellingen als van buitenlandse overheden ontvangt. De algemene opmerking van [Naam 4] dat de Syrische overheid talloze technieken gebruikt om haar documenten te vervaardigen en dat de gebruiken van de Syrische overheid daarbij veranderen onder invloed van technologische ontwikkeling, vormt geen concrete aanwijzing voor twijfel aan het oordeel van Bureau Documenten over het rijbewijs.
8. Bij het beantwoorden van de vraag of het rapport van [Naam 4] en [Naam 5] kan worden aangemerkt als een contra-expertise is de beoordeling van het eerder optreden van [Naam 4] als contra-expert niet zonder betekenis. Verweerder heeft kunnen wijzen op het feit dat [Naam 4] bij eerdere gelegenheid niet als deskundige is aanvaard vanwege een gebrek aan forensische expertise. [8] Verweerder heeft het door [Naam 4] en [Naam 5] uitgebrachte rapport niettemin zelfstandig beoordeeld.
9. In het rapport van 8 juni 2020 komen [Naam 4] en [Naam 5] tot de conclusie dat de drie door Bureau Documenten onderzochte Syrische documenten authentiek zijn. Daarbij stelt [Naam 4] dat hij de documenten heeft onderzocht op handschrift, druk- en printtechniek en stempels en dat hij geen onregelmatigheden heeft aangetroffen. Daarnaast zijn de documenten vergeleken met referentiemateriaal van [Naam 5]. In het weerwoord van 8 september 2020 merkt Bureau Documenten naar aanleiding hiervan terecht op dat [Naam 4] zelf geen expertise bezit voor het doen van onderzoek op Syrische documenten. Verder wordt uit de contra-expertise niet duidelijk welke documenten [Naam 4] met welke onderzoeksmethoden heeft onderzocht. Hij laat zich hierover alleen algemeen uit.
Ook wordt slechts in algemene bewoordingen gesteld dat gebruik is gemaakt van referentiemateriaal. Zoals Bureau Documenten constateert, heeft [Naam 4] bovendien niet vastgesteld dat het rijbewijs is geprint met een tonertechniek. [Naam 4] heeft verder niet weten te weerleggen dat het overgelegde document daarmee afwijkt van originele Syrische rijbewijzen, zoals Bureau Documenten concludeert.
10. Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht geconcludeerd dat eisers met het rapport van [Naam 4] en [Naam 5] niet hebben weerlegd dat het overgelegde rijbewijs met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vals is. Het rapport levert in zoverre geen nieuwe informatie op over de identiteit en nationaliteit van eisers en bevat daarmee dus geen nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het recht op asiel van eisers.
11. Uit de verklaring van onderzoek van 22 februari 2019 blijkt dat Bureau Documenten de authenticiteit van de overgelegde huwelijksdocumenten niet heeft kunnen vaststellen, gelet op het beschikbare referentiemateriaal. De bevinding van [Naam 4] dat de documenten de juiste verschijningsvorm hebben, leidt niet tot een andere conclusie, zo volgt uit het weerwoord van Bureau Documenten van 8 september 2020. De dagelijks aangeboden documenten zijn volgens Bureau Documenten niet consistent qua verschijningsvorm, afmeting, druk- en reproductietechniek en waarmerken/ stempels. Daarnaast merkt Bureau Documenten nog op dat uit de bevindingen van [Naam 4] niet blijkt dat de handtekeningen op de documenten ook inderdaad zijn geplaatst door de in de documenten genoemde personen en dat deze personen de in de documenten genoemde functies bekleden.
Anders dan eisers stellen, berust het bestreden besluit echter niet uitsluitend op de vaststelling dat de authenticiteit van de huwelijksverklaringen niet is komen vast te staan.
Verweerder heeft namelijk ook terecht overwogen dat de beide verklaringen over het huwelijk niet kunnen dienen als onderbouwing van de identiteit van eisers. Gelet hierop stelt verweerder evenzeer terecht dat de beoordeling van deze documenten niet leidt tot het aannemen van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Het beroep van eisers op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 slaagt daarom niet.
12. Eisers hebben met hun verwijzing naar het commentaar in Update bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 9 oktober 2020 een beroep gedaan op het beginsel van ‘equality of arms’ en de vraag opgeworpen naar de reële mogelijkheid om een succesvolle contra-expertise in te brengen, nu het rapport van [Naam 4] en [Naam 5] niet is aanvaard als contra-expertise. De kern van het beginsel van equality of arms is erin gelegen dat tussen partijen evenwicht moet bestaan met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen. [9] Het enkele feit dat Bureau Documenten een overgelegd document vals heeft bevonden en het niet mogelijk zou zijn om een contra-expertise te overleggen, betekent nog niet dat een vreemdeling hiervoor moet worden gecompenseerd vanwege het beginsel van 'equality of arms', aangezien hij andere mogelijkheden heeft om met relevant bewijs te komen. [10] Overigens hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij geen reële mogelijkheid zouden hebben om een wél succesvolle contra-expertise over te leggen. Er is in dit geval dan ook geen noodzaak om eisers te compenseren voor het niet kunnen aanleveren van bewijs. Hierbij is ook nog relevant dat zij inmiddels meerdere opvolgende aanvragen hebben ingediend, waarbij zij zich eerder al van valse documenten hebben bediend.
13. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval met toepassing van artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft kunnen afzien van het horen van eisers op hun asielaanvragen. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk hun opvolgende aanvragen toe te lichten aan de hand van het M35-O formulier. Verweerder heeft reeds hiermee de kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard die nodig zijn om op de aanvraag te kunnen beslissen. Dat eisers naar hun zeggen de aan de aanvraag ten grondslag gelegde documenten tijdens een gehoor hadden kunnen toelichten, kon gelet op wat hiervoor over deze documenten is vastgesteld niet leiden tot een ander oordeel over de aanvraag.
14. De aanvragen zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, 24 april 2017 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) 6 maart 2018.
2.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, 2 augustus 2017 en AbRS 6 maart 2018.
3.Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Zaaknummer NL20.5214.
5.ECLI:EU:C:2021:478.
6.Artikel 30a, aanhef, eerste lid onder d, van de Vw.
7.Verklaring van onderzoek van 22 februari 2019, onderzoeknummer: 216.832.
8.AbRS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1132.
9.AbRS 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674.
10.AbRS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1904.