ECLI:NL:RBDHA:2021:13514
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vernietiging van gedeeltelijke intrekking verblijfsvergunning wegens geschonden hoorplicht
Eiser, een Indiase kennismigrant, kreeg een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van 1 maart 2020 tot 1 maart 2022. De staatssecretaris trok deze vergunning met terugwerkende kracht in per 1 maart 2020 wegens verblijf buiten Nederland en het niet afdragen van premies en belastingen door de werkgever.
Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond en beperkte de intrekking tot de periode 1 maart tot 31 mei 2020, omdat de werkgever uitstel van betaling had gekregen. Eiser stelde dat de intrekking onterecht was en dat de hoorplicht was geschonden, omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren, omdat het bezwaar tot een ander besluit leidde. De hoorplicht is essentieel en is geschonden. Ook is sprake van een motiveringsgebrek omtrent de bevoegdheid tot intrekking.
Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij eiser in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot gedeeltelijke intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht.