ECLI:NL:RBDHA:2021:1315
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Vader moet omgangsregeling met moeder in buitenland nakomen en goederen afstaan
Partijen, voormalig gehuwd en ouders van twee minderjarige kinderen, hebben in een vaststellingsovereenkomst afspraken gemaakt over omgang en goederen na een echtscheidingsprocedure in het buitenland. De moeder woont sinds 2019 in het buitenland, de vader in Nederland met de kinderen.
De moeder vordert in kort geding dat de vader de omgangsregeling nakomt waarbij de kinderen tijdens de voorjaarsvakantie 2021 bij haar verblijven, en dat hij haar persoonlijke goederen overhandigt. De vader weigert mee te werken en voert diverse argumenten aan, waaronder de gezondheid van een kind en zijn rol als hoofdverzorger.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vader de gemaakte afspraken moet nakomen, dat de door hem aangevoerde bezwaren reeds bekend waren bij het sluiten van de overeenkomst en geen reden vormen om de omgang te weigeren. De dwangsom wordt ambtshalve verhoogd tot €10.000 per dag vanwege de weigerachtige houding van de vader. Ook wordt de vader veroordeeld tot afgifte van de goederen met dwangsommen per item. De moeder mag de garage betreden om overige goederen op te halen. Iedere partij draagt eigen proceskosten.
Uitkomst: Vader wordt veroordeeld tot nakoming omgangsregeling en afgifte goederen met verhoogde dwangsommen.