ECLI:NL:RBDHA:2021:13105
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens kennelijk ongegronde aanvraag
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 3 september 2021, waarin zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Hij verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 6 oktober 2021 samen met een gerelateerde zaak. Verzoeker was aanwezig met zijn gemachtigde en een tolk, terwijl de staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Bij uitspraak van dezelfde dag in de hoofdzaak (zaaknummer NL21.14418) werd het beroep inhoudelijk behandeld. Op grond daarvan wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is openbaar gedaan op 23 november 2021 en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvraag is afgewezen.