ECLI:NL:RBDHA:2021:13093

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
29 november 2021
Zaaknummer
NL21.5567
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bedreigingen in Colombia

Eiseres, een Colombiaanse vrouw, diende een asielaanvraag in Nederland in, stellende dat zij vanwege bedreigingen door de ex-partner van haar zus haar land had verlaten. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de bedreigingen en tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiseres.

De rechtbank oordeelde dat het geloofwaardig was dat de zus van eiseres was mishandeld, maar dat dit niet automatisch betekende dat de bedreigingen aan eiseres zelf ook geloofwaardig waren. De rechtbank wees op tegenstrijdigheden over het tijdstip van bedreigingen en het moment waarop eiseres op de hoogte was van de mishandeling.

Daarnaast achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat eiseres gevaar liep bij terugkeer naar Colombia, mede omdat zij meerdere keren zonder problemen tussen Europa en Colombia reisde. Ook de verklaringen over bedreigingen aan haar zoon werden niet geloofwaardig bevonden.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.5567

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiseres

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. L.S.Th.H. Ruijters),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

ProcesverloopBij besluit van 16 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.5568, op 27 oktober 2021 op zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Duivesteijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig S. Kowsari, als toeschouwer namens verweerder, en [Naam 2], de partner van eiseres.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [Geboortedatum] en bezit de Colombiaanse nationaliteit.
2. Op 31 juli 2019 heeft eiseres tegelijk met haar zus een asielaanvraag in Nederland ingediend. Hieraan heeft zij het volgende ten grondslag gelegd. De zus van eiseres is mishandeld door haar (inmiddels) ex-partner. Eiseres wilde haar zus overhalen om de relatie met deze man te beëindigen. Vanwege de bemoeienis met de relatie heeft de ex-partner van de zus eiseres en haar zoon bedreigd. Omdat eiseres vreesde voor haar eigen veiligheid en de veiligheid van haar zoon, heeft zij Colombia verlaten. De zoon van eiseres verblijft nog steeds in Colombia, omdat zijn vader geen toestemming heeft gegeven voor zijn vertrek uit Colombia.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De gestelde bedreigingen door de ex-partner van de zus van eiseres heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft overwogen dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de bedreigingen en het moment waarop zij op de hoogte was van de mishandeling van haar zus. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiseres meerdere malen tussen Europa en Colombia op en neer is gereisd zonder problemen te ondervinden, waardoor het niet aannemelijk is dat eiseres te vrezen heeft bij terugkeer naar Colombia en dus internationale bescherming behoeft.
4. Eiseres voert daartegen aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom wel geloofwaardig is geacht dat haar zus is mishandeld door haar ex-partner, maar niet dat eiseres door hem is bedreigd. Eiseres voert verder aan dat zij afdoende heeft verklaard over waarom zij, ondanks de bedreigingen, is teruggekeerd naar Colombia. De reden hiervoor was dat zij wilde proberen om haar zoon mee te nemen naar Nederland. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop de mishandelingen van haar zus zijn begonnen, temeer nu deze mishandelingen wel geloofwaardig zijn geacht.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiseres door de ex-partner van haar zus is bedreigd. Dat geloofwaardig is bevonden dat de zus van eiseres is mishandeld door haar ex-partner, maakt niet dat om die reden ook geloofwaardig is dat eiseres is bedreigd door deze persoon. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat de verklaring van eiseres dat zij in mei 2018 vanuit Europa is teruggekeerd naar Colombia omdat zij vreesde dat haar zoon iets zou worden aangedaan door de ex-partner van haar zus, tegenstrijdig is met de verklaring dat de bedreigingen pas in juli 2018 begonnen. Daarnaast heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer zij op de hoogte raakte van de mishandelingen van haar zus. De stelling van eiseres dat verweerder dit niet kan tegenwerpen omdat dat de mishandeling van de zus wel geloofwaardig is bevonden, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat hij een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.
6. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat het niet aannemelijk is dat eiseres te vrezen heeft voor de ex-partner van haar zus omdat zij driemaal tussen Europa en Colombia heeft gereisd en bij terugkeer in Colombia steeds geen problemen heeft ondervonden. Verweerder heeft verder de verklaringen over de bedreiging van de zoon van eiseres niet aannemelijk hoeven achten, nu eiseres tot driemaal toe haar zoon heeft achtergelaten in Colombia. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de (eerdere) uitleg van eiseres dat zij geen geld had om de vader van haar zoon te betalen voor de toestemming om haar zoon mee te nemen naar Nederland, niet overeenstemt met de verklaringen van eiseres over haar reizen naar en door Europa. De uitleg die eiseres ter zitting heeft gegeven - dat het niet ging om geldelijk onvermogen maar dat zij geen geld aan de vader van haar kind wil geven – strookt niet met haar verklaring tijdens het nader gehoor. Toen heeft zij gezegd: “Ik had het geld niet, ik had alleen het geld van de tickets. Als ik het geld had gehad had ik het wel betaald denk ik.”. [1]
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rapport van nader gehoor, pagina 9.