ECLI:NL:RBDHA:2021:12953
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 29 maart 2021 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld op basis van de stukken. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de uitspraak zonder zitting gedaan.
Eerder, op 11 oktober 2021, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank. Hierdoor is een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.