ECLI:NL:RBDHA:2021:12622
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf
Eiser, een Iraakse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij zijn partner die in Nederland verblijft. De aanvraag werd primair afgewezen wegens het niet voldoen aan het middelenvereiste en het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding. In bezwaar werd het middelenvereiste niet langer als grond aangevoerd, maar werd de afwijzing gehandhaafd op basis van het ontbreken van een geldig grensdocument.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 7:2 Awb Pro heeft geschonden door eiser niet te horen over het gewijzigde standpunt omtrent het document voor grensoverschrijding. Eiser beschikte over een Duits reisdocument (Reiseausweis) dat mogelijk als geldig grensdocument kon worden beschouwd, maar verweerder heeft dit niet met eiser besproken.
De rechtbank stelde dat het horen essentieel is om de bewijspositie van eiser te verduidelijken en dat verweerder niet op voorhand kon aannemen dat het bezwaar geen andersluidend besluit zou opleveren. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen na het horen van eiser.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht.