Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, voormalig verloofde van de heer A, vordert in kort geding dat het OM-onderzoek naar haar aangifte wegens mishandeling en poging tot doodslag wordt opgeschort totdat het gerechtshof in hoger beroep heeft beslist over de verwijzing van het onderzoek naar een ander arrondissementsparket. Eerder was een eerste kort geding hierover afgewezen, waarna eiseres hoger beroep instelde met een incidentele vordering van gelijke strekking.
De rechtbank overweegt dat eiseres geen spoedeisend belang heeft bij een beslissing in kort geding vooruitlopend op het hoger beroep, mede omdat het OM heeft toegezegd het onderzoek te schorsen totdat het gerechtshof heeft beslist, onder de voorwaarde dat dit binnen twee maanden gebeurt. De voorzieningenrechter acht het risico op tegenstrijdige beslissingen beperkt, aangezien het gerechtshof de bevoegde instantie is voor het hoger beroep en de incidentele vordering.
De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiseres in de proceskosten. Tevens wordt opgemerkt dat indien het gerechtshof niet binnen de termijn beslist, eiseres de mogelijkheid heeft om opnieuw een kort geding aan te spannen. De beslissing weerspiegelt een zorgvuldige afweging van belangen van alle betrokkenen en de procedurele positie van eiseres.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot opschorting van het OM-onderzoek af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.