ECLI:NL:RBDHA:2021:12379
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visum kort verblijf ter ondersteuning bij bevalling
Verzoeker, een Marokkaanse staatsburger geboren in 1993, heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf om zijn zus in Nederland te ondersteunen rondom haar geplande keizersnede op 14 oktober 2021. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit primaire verzoek afgewezen, waarna verzoeker bezwaar maakte. Dit bezwaar werd eveneens ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde en een voorlopige voorziening vroeg.
De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoek om voorlopige voorziening een definitief karakter heeft omdat toewijzing betekent dat verzoeker Nederland mag inreizen. De belangenafweging is daarom terughoudend. Hoewel het verzoek begrijpelijk is, is niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van verzoeker noodzakelijk is, noch dat zijn zus geen hulp kan krijgen van andere familieleden of derden in Nederland.
Verweerder heeft in het bestreden besluit de afwijzing gebaseerd op het niet aannemelijk maken van het doel en de omstandigheden van het verblijf en het niet aannemelijk maken dat verzoeker Nederland tijdig zal verlaten. Verzoeker stelt dat hij dit wel voldoende heeft onderbouwd met bewijsstukken, waaronder een verklaring van de huisarts en persoonlijke omstandigheden zoals werk en zorg voor ouders.
De voorzieningenrechter concludeert dat het belang van verweerder bij het voorkomen van illegale migratie zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een visum kort verblijf wordt afgewezen.