ECLI:NL:RBDHA:2021:1205
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtigingsverzoek voor procedure namens minderjarige tegen luchtvaartmaatschappij
Verzoekers, als wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige woonachtig in Duitsland, verzochten de kantonrechter om machtiging om namens de minderjarige een procedure te starten tegen Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft voor financiële compensatie. De rechtbank moest eerst vaststellen of zij bevoegd was, gezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Duitsland.
Op grond van de Verordening Brussel-II bis is in beginsel de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd. Echter, artikel 12 lid 3 van Pro deze verordening biedt uitzonderingen waarbij de Nederlandse rechter bevoegd kan zijn als het kind een nauwe band met Nederland heeft, de bevoegdheid uitdrukkelijk is aanvaard en het belang van het kind dit rechtvaardigt. De kantonrechter stelde vast dat aan deze voorwaarden was voldaan en verklaarde zich bevoegd.
Vervolgens werd beoordeeld welk recht van toepassing is. Volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 geldt het recht van de staat van gewone verblijfplaats van het kind, hier Duitsland. Volgens het Duitse Burgerlijk Wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch) is voor het voeren van een gerechtelijke procedure namens een minderjarige geen machtiging van de familierechtbank vereist. Hierdoor was het machtigingsverzoek overbodig en werd het afgewezen.
De kantonrechter wees het verzoek af omdat verzoekers geen belang hadden bij het machtigingsverzoek. De beschikking werd uitgesproken op 19 februari 2021 door mr. M.S. Vonck.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging om namens de minderjarige een procedure te voeren tegen Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft is afgewezen.