ECLI:NL:RBDHA:2021:11574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 oktober 2021
Publicatiedatum
25 oktober 2021
Zaaknummer
NL21.13470
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013ECLI:EU:C:2017:127
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht door geen medisch advies te vragen aan het Bureau Medische Advisering, ondanks dat uit medische stukken blijkt dat eiser psychische aandoeningen heeft die een reëel risico op aanzienlijke achteruitgang bij overdracht met zich meebrengen.

Op basis van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de overdragende lidstaat elke ernstige twijfel over de gezondheidstoestand van de vreemdeling wegnemen. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit daardoor onvoldoende is voorbereid en gemotiveerd.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens worden de proceskosten van eiser toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.13470
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Naam]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2021 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit betekent dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek geaccepteerd.
2. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 16 februari 2017 in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127) volgt dat als de vreemdeling met objectieve gegevens heeft aangetoond dat de overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, het aan de overdragende lidstaat is om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling weg te nemen.
3. Nu uit de in beroep overgelegde medische stukken is gebleken dat eiser gedwongen wordt behandeld in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) te Veldzicht voor psychose, paranoïde wanen en suïcideneigingen bestaat gerede twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiser. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om het Bureau Medische Advisering (BMA) naar aanleiding van de overgelegde informatie te verzoeken op dit punt een medisch advies uit te brengen. Door dit niet te doen heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.
4. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering mist zodat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 30 september 2021 door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.