ECLI:NL:RBDHA:2021:11535
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument en oplegging inreisverbod wegens onvoldoende middelen
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende partner van mevrouw A. Koczka, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 voor verblijf bij zijn echtgenote. De aanvraag werd op 2 oktober 2019 afgewezen omdat niet was aangetoond dat referente over voldoende middelen van bestaan beschikte. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser betoogde dat er geen sprake was van een schijnrelatie en dat de coronapandemie het inkomen van referente beïnvloedde. Daarnaast stelde hij dat hij zelf een inkomen had waarmee het gezin leeft. De rechtbank stelde echter vast dat referente geen reële en daadwerkelijke arbeid verrichtte en onvoldoende inkomen kon aantonen, mede vanwege discrepanties in de overgelegde arbeidsovereenkomsten en bankafschriften.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor afgifte van het verblijfsdocument en dat het inreisverbod terecht was opgelegd, mede gelet op een eerder opgelegd terugkeerbesluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument en het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard.