Problemen door schulden van zus die verhaald worden op betrokkene.
3. Eisers asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de door eiser in Nederland opgegeven leeftijd niet wordt gevolgd, aangezien uit informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat eiser in Italië als meerderjarige is geregistreerd.Eiser heeft niet met officiële bewijsmiddelen aangetoond dat de leeftijdsregistratie in Italië onjuist is.
Verweerder gelooft de gestelde problemen vanwege de homoseksualiteit van eisers zus, maar concludeert dat hieruit niet volgt dat eiser internationale bescherming nodig heeft. Verweerder gelooft niet eisers verklaringen over zijn problemen in verband met de schulden van zijn zus.
Gezien het afleggen van valse verklaringen over zijn leeftijd, heeft eiser volgens verweerder getracht om hem te misleiden over zijn identiteit.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Van misleiding, zoals omschreven in paragraaf C2/7.3 van de Vcis volgens hem geen sprake. Eiser verwijst naar de processen-verbaal van gehoor op 18 en 19 november 2019 bij de vreemdelingenpolitie (AVIM). Eiser merkt op dat de conclusie van de AVIMen de INDten aanzien van zijn leeftijd evident niet overeenkomen. Hij stelt dat de leeftijdsschouw niet conform de Werkinstructie 2018/19 (WI 2018/19) heeft plaatsgevonden. Uit de werkinstructie volgt dat het voor de medewerker van het aanmeldgehoor niet mogelijk is om het proces-verbaal van de AVIM/Kmarin te zien voor de eigen schouw. Verder dienen ook het gedrag en de verklaringen van de vreemdeling te worden betrokken bij het oordeel. Uit eisers verklaringen blijkt van traumatische gebeurtenissen.
Er kan volgens eiser niet worden uitgegaan van de leeftijdsregistratie in Italië. Hij verwijst in dit verband naar publicaties van Amnesty Internationalen van De Groene Amsterdammer.Verweerder had in dit geval onderzoek moeten doen naar de wijze waarop de registratie in Italië tot stand is gekomen. Eiser heeft vanaf het begin consistent verklaard over de onjuiste registratie in Italië. Eiser is zelf nooit in het bezit geweest van zijn geboorteakte, er kan van hem dan ook niet gevraagd worden die te overleggen, nog daargelaten dat dit geen identificerend document is.
Verweerder accepteert volgens eiser ten onrechte niet dat eiser uit angst niet heeft doorgevraagd naar het hem in Ter Apel vertelde verhaal. Meer informatie uit Gambia zou naar eiser kunnen leiden. Daarnaast is hem ten onrechte tegengeworpen dat hij niet overtuigend kan toelichten hoe de vereniging in Gambia op de hoogte zou zijn geraakt van het overlijden van zijn zus in Libië. Eiser is zelf niet in Gambia en van hem kan niet verwacht worden dat hij contact opneemt met zijn vervolgers. Ook is onvoldoende gemotiveerd tegengeworpen dat het niet geloofwaardig is dat eisers zus geld heeft beheerd van de vereniging terwijl het gerucht ging dat zij homoseksueel is.
Eiser voert voorts aan dat de traumatische gebeurtenissen vanaf het moment van plotseling vertrek uit Gambia aanleiding zouden moeten zijn voor verweerder om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.
Tot slot stelt eiser dat er ten onrechte een inreisverbod is opgelegd voor de duur van twee jaar. In het voornemen is eiser hiermee niet geconfronteerd en hij heeft dan ook geen zienswijze kunnen indienen. De termijn van vijf dagen voor het indienen van aanvullende gronden is te kort geweest voor de gemachtigde van eiser om het inreisverbod met eiser te bespreken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Niet in geschil is dat eiser geen zelfstandige vrees ontleent aan de seksuele gerichtheid van zijn zus.
6. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet ten onrechte kanttekeningen geplaatst bij het feit dat eiser op basis het verhaal van de persoon in Ter Apel zegt ervan overtuigd te zijn dat hij wordt gezocht door leden van de vereniging. In dit verband heeft verweerder kunnen opmerken dat eiser in het hem vertelde verhaal niet bij voor-en achternaam is genoemd en dat ook de naam van de vereniging niet is genoemd. Voor zover eiser heeft gesteld hij uit angst niet om meer details heeft gevraagd, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser volgens zijn verklaringen via degene die hem het verhaal heeft verteld wel probeert erachter te komen hoe groot de schuld is. Eiser heeft verder niet kunnen toelichten hoe de vereniging op de hoogte zou zijn geraakt van het overlijden van zijn zus in Libië en waarom de leden van de vereniging daarom de schuld verhalen op hem. Eisers verklaring dat hij dit niet weet, heeft verweerder als niet-overtuigend kunnen aanmerken. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser persoonlijk niet heeft vernomen van de gestelde schuldeisers of de Gambiaanse autoriteiten. Tot slot heeft verweerder ook vraagtekens kunnen plaatsen bij eisers verklaring dat zijn zus het geld van de vereniging beheerde, terwijl volgens andere verklaringen van eiser het gerucht rondging over haar homoseksualiteit. Dat een gerucht klein begint, zoals eiser stelt, neemt niet weg dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat uit eisers verklaringen volgt dat iedereen in de omgeving wist van de beschuldigingen over de geaardheid van eisers zus en dat het beheerde geld mede afkomstig was van buurtgenoten.
7. Verweerder heeft op grond van de voorgaande tegenwerpingen niet ten onrechte geconcludeerd dat eisers gestelde problemen met de vereniging niet geloofwaardig zijn. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.
8. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vwkan een asielaanvraag worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijnindien de vreemdelingen de minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.
9. Volgens het beleid van verweerder neergelegd in paragraaf C2/7.3 van de Vc, wordt onder misleiden verstaan dat de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Van misleiden is volgens het beleid in ieder geval sprake als de vreemdeling valse informatie heeft verstrekt over zijn identiteit of nationaliteit of de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt zoals beschreven in paragraaf C1/4.2 van de Vc.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser verweerder heeft misleid omtrent zijn identiteit. Uit het proces-verbaal van gehoor van 18 november en het verslag van het aanmeldgehoor van 20 november blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij in 2003 geboren is. Uit het proces-verbaal van gehoor van 19 november 2019 blijkt echter dat eiser heeft verklaard dat hij zelf eerder in Italië het geboortejaar 1999 heeft opgegeven. Uit het door verweerder verrichte onderzoek volgt verder dat eiser in Italië daarnaast staat geregistreerd met geboortejaar 1990. Verweerder mag van deze eerdere registraties uitgaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de in Italië geregistreerde geboortedatum onjuist is. Hierin is hij niet geslaagd. Algemene kritiek op de wijze waarop asielzoekers in Italië worden geregistreerd is hiervoor onvoldoende. Nu eiser zelf heeft verklaard dat hij het in Italië geregistreerde geboortejaar 1999 heeft opgegeven, kan hij niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij consequent zou hebben verklaard dat zijn registratie in Italië onjuist is. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser in Nederland bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de wijze waarop de schouw is uitgevoerd, kan niet leiden tot een andere conclusie en behoeft dus geen bespreking.
11. Voor zover eiser een beroep doet op een discretionaire bevoegdheid vanwege gestelde traumatische gebeurtenissen, in het bijzonder een detentie in Libië en het overlijden van zijn zus daar, wordt overwogen dat verweerder uitdrukkelijk heeft besloten om geen gebruik te maken van zijn ambtshalve bevoegdheid op grond van de artikelen 3.6a, eerste lid, of 3.6b, eerste lid, van het Vb. Ook heeft verweerder overwogen dat de door eiser genoemde gebeurtenissen niet vallen binnen de reikwijdte van het traumatabeleid. Eiser heeft niet geconcretiseerd waarom diezelfde gebeurtenissen voor verweerder redelijkerwijs aanleiding hadden moeten zijn om gebruik te maken van één van genoemde bevoegdheden.
12. Eiser voert terecht aan dat over het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod geen voornemen is uitgebracht, zodat hij hier geen zienswijze op heeft kunnen geven. Dat betekent dat het inreisverbod niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Het beroep is dan ook gegrond, voor zover gericht tegen het uitvaardigen van een inreisverbod. Het bestreden besluit zal in zoverre dan ook worden vernietigd.
13. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit in stand te laten. Nu verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser hem heeft misleid omtrent zijn identiteit heeft verweerder de asielaanvraag immers terecht afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Het is beleid van verweerderom in die gevallen aan de vreemdeling een vertrektermijn te onthouden. Eiser heeft in beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarom hem alsnog een vertrektermijn zou moeten worden gegund. Indien aan eiser geen vertrektermijn wordt gegund, is verweerder wettelijk gehouden om een inreisverbod uit te vaardigen.Eiser heeft evenmin concrete feiten of omstandigheden gesteld waarom een inreisverbod desondanks achterwege zou moeten blijven. Dat de aan eiser op 10 augustus 2021 gegunde termijn voor het bekendmaken van de beroepsgronden hiervoor te kort zou zijn geweest, zoals hij stelt, neemt niet weg dat eiser nadien geen nadere gronden heeft geformuleerd.
14. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).