De rechtbank Den Haag behandelde op 5 oktober 2021 een zaak betreffende de ondertoezichtstelling van een minderjarige en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een andere minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van de jongste minderjarige voor een periode van één jaar, vanwege een instabiele thuissituatie en een patroon van conflicten tussen de ouders. De gecertificeerde instelling onderschreef dit verzoek en benadrukte de noodzaak van begeleiding en hulpverlening.
De ouders voerden verweer tegen de duur van de ondertoezichtstelling en stelden dat de situatie verbeterde. De moeder gaf aan dat zij inmiddels de benodigde spullen in huis had om de oudste minderjarige terug te plaatsen, maar dit kon niet worden gecontroleerd vanwege afzeggingen van afspraken. De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor ondertoezichtstelling van de jongste minderjarige aanwezig zijn en dat een periode van een jaar passend is om de hulpverlening te waarborgen.
Tegelijkertijd concludeerde de kinderrechter dat de gronden voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de oudste minderjarige niet langer aanwezig zijn, mede omdat de moeder zich aan afspraken heeft gehouden en de benodigde voorzieningen in huis heeft. De machtiging loopt nog tot 16 oktober 2021, wat voldoende tijd biedt voor een soepele terugplaatsing. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot verlenging af en stelde de jongste minderjarige onder toezicht.