ECLI:NL:RBDHA:2021:11192

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
14 oktober 2021
Zaaknummer
NL21.15338
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000Art. 28 Verordening (EU) 604/2013
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

Eiser, van Iraanse nationaliteit, stelde dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig was omdat de Staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting naar Italië. Een fout bij het terugnameverzoek aan de Italiaanse autoriteiten leidde tot een afwijzing, waarna een heroverwegingsverzoek werd ingediend. De Italiaanse autoriteiten stemden uiteindelijk in met terugname, waarna eiser aangaf geen rechtsmiddelen tegen het overdrachtsbesluit te zullen aanwenden.

De rechtbank toetste of sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 23 augustus 2021 de maatregel rechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, aangezien de fout bij het terugnameverzoek niet aan Nederland te wijten was, het heroverwegingsverzoek tijdig werd ingediend en de overdracht en vluchtboeking snel volgden.

Verder werd toegelicht dat de Italiaanse autoriteiten strikte termijnen en limieten hanteren voor overdrachten, waardoor een eerdere vlucht niet mogelijk was. Gezien de zeswekentermijn van de Dublinverordening achtte de rechtbank het handelen van de Staatssecretaris passend en rechtmatig.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.15338

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 augustus 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 11 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 augustus 2021 (in de zaak NL21.13145) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 augustus 2021 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. Door verweerder is een fout gemaakt bij het terugnameverzoek dat is ingediend bij de Italiaanse autoriteiten. Een kopie van de vingerafdrukken van eiser ontbrak in het terugname verzoek. Daarom is op 26 augustus 2021 het verzoek om terugname afgewezen. Vervolgens is er door verweerder pas op 31 augustus 2021 een verzoek tot heroverweging gestuurd aan de Italiaanse autoriteiten. Op 13 september 2021 hebben de Italiaanse autoriteiten vervolgens alsnog een akkoord gegeven. Door eiser is daarna op 16 september 2021 kenbaar gemaakt dat geen rechtsmiddelen zullen worden aangewend tegen het overdrachtsbesluit. Van verweerder mocht, gelet op de fouten die zijn gemaakt bij het claimverzoek en het feit dat eiser heeft aangegeven geen rechtsmiddelen tegen de overdracht aan te wenden, worden verwacht dat met grote voortvarendheid een vlucht geboekt zou worden waarmee eiser terug zou kunnen keren naar Italië. De vlucht vindt echter pas plaats op 22 oktober 2021. Eiser acht het, gelet op de regelmaat waarmee er wordt gevolgen op Rome Fiumicino, niet goed mogelijk dat eiser niet al eerder aan Italië overgedragen zou kunnen worden. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 8 september 2021 (NL21.13715). Nu verweerder onvoldoende voortvarendheid heeft betracht is volgens eiser de bewaring onrechtmatig. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat deze onrechtmatigheid geldt vanaf 10 dagen na 16 september 2021.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder ter zitting heeft toelichting dat er geen fout door Nederland is gemaakt bij het eerste claimverzoek. Er is een kopie van de vingerafdrukken van eiser als bijlage meegestuurd, maar de medewerker van de Italiaanse autoriteiten kon de bijlage niet openen. Bij het verzoek tot heroverweging is de kopie van de vingerafdrukken nogmaals verstuurd en toen lukte het wel. Uit intern overleg lijkt de oorzaak geweest te zijn dat het eerste verzoek niet opende, omdat de medewerker thuis werkte en niet de juiste programma’s had geïnstalleerd. De rechtbank heeft geen reden aan deze uitleg te twijfelen. Daar komt bij dat, nadat door de Italiaanse autoriteiten het verzoek om terugname op 26 augustus 2021 is afgewezen, de Nederlandse autoriteiten vijf dagen later het verzoek om heroverweging hebben gestuurd. Dat is niet dusdanig veel later dat gezegd kan worden dat onvoldoende voortvarend is gehandeld. Dat vervolgens pas op 13 september 2021 met de terugname is ingestemd kan verweerder niet worden verweten. Verweerder heeft vervolgens ook voortvarend gehandeld door twee dagen later (op 15 september 2021) een overdrachtsbesluit te nemen en meteen een dag later (op 16 september 2021) een vlucht voor eiser te boeken.
6. Ter zitting is verder door verweerder nader toegelicht dat er pas op 22 oktober 2021 een vlucht beschikbaar was, omdat de Italiaanse autoriteiten willen dat er tussen de melding van overdracht en de daadwerkelijke overdracht bij niet medische zaken zeven werkdagen en bij medische zaken tien dagen zitten. Daarbij accepteren de Italiaanse autoriteiten over de hele Europese Unie maar 15 overdrachten per dag. Een eerdere vlucht was als gevolg daarvan niet mogelijk. De rechtbank heeft ook geen reden om aan deze uitleg te twijfelen en ziet ook hierin dus geen reden om verweerder te verwijten dat hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank betrekt bij dit alles dat, nu het claimakkoord dateert van 13 september 2021, conform artikel 28 van Pro de Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening), de overdracht van eiser uiterlijk binnen zes weken vanaf de datum van de acceptatie van het terugnameverzoek wordt uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het geheel van handelingen in ogenschouw nemend niet kan worden gezegd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 oktober 2021
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.