ECLI:NL:RBDHA:2021:11119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 oktober 2021
Publicatiedatum
13 oktober 2021
Zaaknummer
NL21.13129
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 Vreemdelingenwet 2000Art. 6.3 Voorschrift Vreemdelingen 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet voldoen aan verlengingsvereisten vertrektermijn vreemdeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 augustus 2021, waarin de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd afgewezen en een vertrektermijn van vier weken werd opgelegd. De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2021 behandeld en onmiddellijk uitspraak gedaan.

De kern van het geschil betreft de vertrektermijn die eiser is opgelegd. Volgens artikel 63 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 moet een vreemdeling aan wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd Nederland binnen vier weken verlaten, tenzij een verlenging is toegekend. Verlenging is alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de voorwaarden in artikel 6.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, waaronder het in persoon indienen van een verzoek tot verlenging.

In deze zaak is niet gebleken dat eiser een dergelijk verzoek heeft ingediend. De staatssecretaris heeft het bestreden besluit genomen conform de wettelijke regeling en heeft geen aanleiding gezien hiervan af te wijken. Omdat eiser met het beroep niet kan bereiken wat hij beoogt, heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de vertrektermijn is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een verzoek tot verlenging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.13129
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).

ProcesverloopBij besluit van 6 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.13130, op 1 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Het beroep richt zich tegen de aan eiser bekend gemaakte vertrektermijn van vier weken na de bekendmaking van het bestreden besluit.
2. In artikel 63, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is geregeld dat degene aan wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd Nederland binnen vier weken moet verlaten. Deze termijn volgt rechtstreeks uit de wet, behoudens de mogelijkheid van verweerder om bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit een kortere termijn op te leggen dan wel een vertrektermijn te onthouden.
3. Op grond van het derde lid, uitgewerkt in artikel 6.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: Vv) is weliswaar verlenging mogelijk, maar slechts onder de daar genoemde voorwaarden, waaronder het in persoon indienen van een daartoe strekkend verzoek. Van een dergelijk verzoek is in dit geval niet gebleken.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen aanleiding is om anders te beslissen dan in het voornemen is aangekondigd, namelijk dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten. Gelet op de uitdrukkelijke regeling in artikel 6.3 van het Vv is het bestreden besluit in zoverre niet gelijk te stellen met een besluit omtrent verlenging van de vertrektermijn.
5. Nu eiser met het beroep niet kan bereiken wat hij beoogt, is er geen belang bij de beoordeling van het beroep
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2021 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.