Op 26 juli 2020 werd het slachtoffer door verdachte en een medeverdachte onder dwang uit een café in Den Haag meegenomen, in een auto geduwd en naar een loods gebracht waar hij werd vastgebonden met tie-rips en tape over zijn mond kreeg. De politie trof het slachtoffer vastgebonden aan in de loods, waarna de medeverdachten werden aangehouden.
De rechtbank heeft op basis van verklaringen van het slachtoffer, een getuige, camerabeelden en politieonderzoek geoordeeld dat verdachte samen met een ander het slachtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. Verdachte bekende het feit, behalve de handeling van het met kracht uit het café trekken.
De rechtbank achtte de ernst van het feit groot vanwege de bedreigende omstandigheden en de impact op het slachtoffer, die psychische schade heeft opgelopen. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest. De immateriële schadevergoeding werd vastgesteld op €3.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het feit.
De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op, waarbij verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag aan de Staat te betalen. Betalingen door verdachte of mededaders aan het slachtoffer of de Staat leiden tot vermindering van de betalingsverplichting. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer op 15 februari 2021.