ECLI:NL:RBDHA:2021:10971

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
C/09/609457 / FA RK 21-2021
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 RvArt. 1.4 Wet basisregistratie personenArt. 2.8 lid 2 Wet basisregistratie personenArt. 820 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot echtscheiding wegens ontbreken geldige huwelijksakte

De vrouw verzocht de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken en de verdeling van de gemeenschap van goederen te gelasten. Zij stelde dat het huwelijk duurzaam was ontwricht en dat de Nederlandse rechter rechtsmacht had omdat zij in Nederland verbleef.

De rechtbank stelde vast dat de vrouw geen gewaarmerkt afschrift van de huwelijksakte kon overleggen, zoals vereist volgens artikel 815 Rv Pro en het procesreglement scheiding. De vrouw gaf aan dat door slechte bevolkingsregisters in Eritrea geen recent gewaarmerkt afschrift kon worden verkregen. De huwelijksakte die zij in bezit had, een kerkelijke akte, was aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gegeven, die deze na onderzoek vals bevond.

Gezien het ontbreken van een geldige huwelijksakte en de vaststelling dat het huwelijk niet rechtsgeldig is gesloten, verklaarde de rechtbank het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk. Ook het subsidiaire verzoek tot verklaring dat het huwelijk niet in Nederland wordt erkend werd niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte werd het verzoek tot doorhaling van de huwelijksgegevens in de BRP afgewezen omdat de rechtbank niet bevoegd is tot wijziging in de BRP; dit is een taak van het college van burgemeester en wethouders.

De vrouw werd geadviseerd zelf een onderbouwd verzoek tot doorhaling in te dienen bij de gemeente, met bijvoeging van deze beschikking. Tegen de beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot echtscheiding en aanverwante verzoeken worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken geldig huwelijksbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer / rekestnummer: C/09/609457 / FA RK 21-2021
Beschikking d.d. 7 oktober 2021 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[X] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.I. Kouwenhoven, gevestigd te Naaldwijk,
tegen
[Y] ,
zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
hierna te noemen de man.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 17 maart 2021;
- het betekeningsexploot;
- het F9-formulier van 16 juli 2021 met bijlagen namens de vrouw.
1.2.
Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn volgens de stelling van de vrouw met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] 2007 te Eritrea. De vrouw heeft volgens het door de rechtbank ambtshalve geraadpleegde systeem ingevolge de Wet Basisregistratie Personen (BRP) de Eritrese nationaliteit. De man heeft een voor de rechtbank onbekende nationaliteit.
2.2.
Scheiding
2.2.1.
De vrouw heeft primair verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de verdeling te bevelen met benoeming van een notaris en onzijdige personen. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.2.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevond en deze daar sinds ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.2.3.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.2.4.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw heeft verzuimd een gewaarmerkt afschrift van de huwelijksakte over te leggen, dat niet ouder is dan drie maanden, zoals door het vijfde lid onder a van artikel 815 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met het procesreglement scheiding (raadpleegbaar op www.rechtspraak.nl) wordt vereist. Het zesde lid van artikel 815 Rv Pro bepaalt dat indien er redenen zijn om aan te nemen dat een gewaarmerkt afschrift van de huwelijksakte niet kan worden overgelegd, kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of op andere wijze daarin kan worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. Bij gebreke daarvan, kan de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
De vrouw stelt dat zij geen originele huwelijksakte kan overleggen en dat het vanwege de slechte bevolkingsregisters in Eritrea niet mogelijk is een recent en gewaarmerkt afschrift van de huwelijksakte op te vragen. Verder stelt de vrouw de huwelijksakte die zij in haar bezit had (de kerkelijke huwelijksakte) aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) afgeven te hebben. De IND heeft deze huwelijksakte na onderzoek vals bevonden. Deze stelling vindt bevestiging in de beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2019, waarin het beroep van de man ongegrond is verklaard tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn aanvraag om afgifte van een machtiging van een voorlopig verblijf in het kader van nareis af te wijzen.
Nu de vrouw geen gewaarmerkt afschrift van de huwelijksakte heeft overgelegd en uit de beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2019 is gebleken dat de huwelijksakte die de vrouw in haar bezit had vals is bevonden, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat de man en de vrouw een rechtsgeldig huwelijk hebben gesloten. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek tot echtscheiding en verdeling.
2.3.
Verklaring voor recht
2.3.1.
De vrouw heeft subsidiair verzocht voor recht te verklaren dat het huwelijk tussen haar en de man niet in Nederland wordt erkend.
2.3.2.
Zoals hiervoor overwogen, heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen de man en de vrouw. De rechtbank kan dan ook niet voor recht verklaren dat het huwelijk niet in Nederland wordt erkend. De rechtbank zal de vrouw dan ook in dit subsidiaire verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
2.4.
Verzoek doorhaling gegevens in de BRP
2.4.1.
De vrouw heeft verder verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] te gelasten de gegevens in de BRP aan te passen in die zin dat de vrouw niet als gehuwd geregistreerd staat.
Nu het in deze zaak een wijziging in de BRP/persoonslijst van de vrouw betreft, is op grond van artikel 1.4 van de Wet basisregistratie personen niet de rechtbank bevoegd enige wijziging in de registratie van een gemeente met betrekking tot de burgerlijke staat van een persoon te gelasten, maar is het college van burgemeesters en wethouders verantwoordelijk voor het bijhouden van de persoonsgegevens in de BRP overeenkomstig afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de wet.
De vrouw zal dan ook in haar verzoek tot doorhaling van de gegevens in de BRP niet- ontvankelijk worden verklaard.
Op grond van de Wet basisregistratie personen kan de vrouw zelf een met stukken onderbouwd verzoek tot doorhaling van de registratie van het Eritrese huwelijk indienen bij de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] . Gelet op artikel 2.8 lid 2 van deze Wet is het raadzaam bij het verzoek een afschrift van de onderhavige beschikking te voegen.

3.Beslissing

De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.G. Coopmans-Veraa op 7 oktober 2021.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.