ECLI:NL:RBDHA:2021:10796
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Turkije
Eiser, een Turkse student, vroeg een visum voor kort verblijf aan om zijn partner en haar familie in Nederland te leren kennen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af vanwege onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Turkije, waardoor vestigingsgevaar werd vermoed.
Eiser voerde aan dat hij student is aan een Turkse universiteit en dat hij tijdig zal terugkeren, mede geborgd door een referent. Ook stelde hij dat hij onder de uitzonderingsregeling voor langeafstandsrelaties valt in het kader van het Europese inreisverbod vanwege de Coronapandemie.
De rechtbank oordeelde dat de minister zijn beoordelingsruimte terecht heeft benut en dat eiser onvoldoende binding met Turkije heeft aangetoond. De borgstelling weegt niet op tegen het vestigingsgevaar. Tevens is de uitzondering op het inreisverbod niet van toepassing omdat niet aan de visumvoorwaarden is voldaan.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de visumaanvraag definitief af. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het visum wordt geweigerd wegens onvoldoende binding met Turkije en vestigingsgevaar.