ECLI:NL:RBDHA:2021:10747
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens kennelijke ongegrondheid
De zaak betreft een beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Op 2 juli 2020 werd het asielverzoek afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter besloot het onderzoek zonder zitting voort te zetten en oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond was op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro. Tevens werd verwezen naar een eerdere uitspraak van 23 september 2021 waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en stelde dat een proceskostenveroordeling niet aan de orde was. De uitspraak is definitief en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep kennelijk ongegrond is en niet-ontvankelijk is verklaard.