ECLI:NL:RBDHA:2021:10671

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 september 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
NL21.12905
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3:41 AwbArt. 3.104 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in Dublinprocedure

Eiser, een asielzoeker van Gambiaanse nationaliteit, diende beroep in tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat België verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelde dat het beroep te laat was ingediend; eiser had tot 22 juni 2021 de tijd, maar diende het pas op 9 augustus 2021 in. Verweerder had het besluit op juiste wijze bekendgemaakt aan eiser en diens gemachtigde. Eiser stelde dat hij door detentie niet tijdig op de hoogte was, maar dit werd niet als verschoonbare termijnoverschrijding erkend.

De rechtbank verwierp ook de stelling dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat het voornemen niet correct was verzonden. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en verdere inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden was niet nodig.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.12905

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A.W. Oude Lenferink).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 9 augustus 2021 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2021 op zitting behandeld. Eiser is, met voorafgaande mededeling, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser meent dat hij, ondanks het verstrijken van de beroepstermijn van een week, tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser voert aan dat op het moment dat hij kennis kreeg van de beslissing – dit naar aanleiding van zijn vreemdelingendetentie – hij direct zijn gemachtigde heeft verzocht beroep in te dienen. Daarnaast voert eiser aan dat het voornemen niet op de juiste wijze is verzonden. Het voornemen is verstuurd naar de gemachtigde die destijds heeft verklaard niet (meer) de gemachtigde te zijn.
2.1.
Verder voert eiser aan dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 9 februari 2021 (NL20.20781). Ten tijde van het bekendmaken van het voornemen is sprake van een onvoldoende advocaat-cliëntrelatie. Dit betekent volgens eiser dat het voornemen niet op de juiste wijze kenbaar is gemaakt. De mogelijkheid voor eiser om een zienswijze naar voren te brengen moet worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de procedure. Voorts vreest eiser dat hij bij overdracht aan België geen opvang zal krijgen, met alle risico’s op schade en materiële deprivatie van dien. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het AIDA-rapport. Tot slot voert eiser aan dat zijn asielaanvraag in België als een herhaalde asielaanvraag wordt behandeld.
3. Verweerder voert primair aan dat het beroep te laat is ingediend en om die reden niet-ontvankelijk is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Daarnaast heeft verweerder het uitreikingsformulier overgelegd. Verder voert verweerder aan dat het feit dat eiser in vreemdelingenbewaring heeft gezeten niet maakt dat hij geen beroep kon instellen.
3.1.
Subsidiair voert verweerder aan dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Ter onderbouwing voert verweerder aan dat de gestelde onvoldoende advocaat-cliëntrelatie voor rekening en risico van eiser komt. Verder merkt verweerder op dat uit het overgelegde rapport niet volgt dat er in België structurele problemen zijn in de asielprocedure.
4. De rechtbank oordeelt als volgt.
4.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Staten (ABRvS) (bijvoorbeeld ABRvS 18 augustus 2010, LJN BN4254) dient, in het geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Het betoog dat eiser pas bij zijn inbewaringstelling op de hoogte is geraakt van het bestreden besluit levert geen verschoonbare termijnoverschrijding op. Uit de door verweerder overgelegde informatie blijkt dat verweerder het bestreden besluit aan zowel de (toenmalige) gemachtigde van eiser als aan eisers laatst bekende adres heeft toegezonden en bovendien aan eiser in persoon heeft uitgereikt. Aldus heeft verweerder het besluit op de juiste wijze bekendgemaakt (artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 3.104, vijfde lid, van het Vb 2000). Eiser heeft niets aangevoerd op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat hem niet kan worden verweten dat hij niet eerder op de hoogte is geraakt. De stelling van eiser dat hij in vreemdelingenbewaring dan wel detentie zat, is hiertoe onvoldoende.
Voorts merkt de rechtbank op dat eiser – anders dan hij veronderstelt – niet een week te laat is met het indienen van zijn beroep, maar bijna twee maanden. Eiser had immers tot en met 22 juni 2021 de tijd om het beroep in te dienen.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking meer.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Gerding, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Versteeg, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na de datum van bekendmaking.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.