Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 3 augustus 2021 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.
Tijdens de zitting op 8 september 2021 is eiser en zijn gemachtigde zonder kennisgeving vooraf niet verschenen, terwijl de gemachtigde van verweerder wel aanwezig was. De rechtbank heeft het beroep direct behandeld en uitspraak gedaan.
De rechtbank oordeelt dat het beroepschrift niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat eiser geen gronden heeft vermeld. Ondanks een gelegenheid om dit binnen vijf werkdagen te herstellen, heeft eiser dit nagelaten. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.