ECLI:NL:RBDHA:2021:10485
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar niet-ontvankelijk wegens onverschoonbare termijnoverschrijding bij inburgeringsboete
Eiser diende een bezwaarschrift in tegen een boete opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht. Dit bezwaarschrift werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege ziekte, de COVID-19 lockdown die hulp van instanties belemmerde, het ontbreken van familie of kennissen voor ondersteuning, beperkte Nederlandse taalvaardigheid en onwetendheid over het rechtssysteem.
De rechtbank oordeelde dat alleen de ontvankelijkheid van het bezwaar werd beoordeeld, niet de inhoudelijke gronden van het bezwaar zelf. Hoewel begrip werd getoond voor de persoonlijke omstandigheden van eiser, concludeerde de rechtbank dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Er was geen bewijs dat eiser niet in staat was om tijdig bezwaar te maken of dit door een derde te laten doen. De stelling dat hulp van instanties ontbrak was onvoldoende onderbouwd, en het feit dat de partner van eiser soms als tolk fungeerde, maakte het onwaarschijnlijk dat geen hulp kon worden ingeroepen.
Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond. Het bestreden besluit, de boete, blijft daarmee van kracht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk wegens onverschoonbare termijnoverschrijding.