ECLI:NL:RBDHA:2021:1048
Rechtbank Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot aanvullend onderzoek curator in faillissement inzake boedelvorderingen op familieleden
In het faillissement van een gefailleerde heeft appellant, lid van de schuldeiserscommissie, een verzoek ingediend ex artikel 69 Faillissementswet Pro om de curator te verplichten aanvullend onderzoek te verrichten naar boedelvorderingen op familieleden van de gefailleerde en om medewerking aan een onderhandse verkoop van deze vorderingen te onthouden.
De curator had de familieleden reeds aansprakelijk gesteld en vorderingen ingediend, waaronder pauliana’s, onrechtmatige daad en terugbetalingen van leningen en huurpenningen. Er was sprake van onderhandelingen over een mogelijke schikking en verkoop van deze vorderingen aan een derde partij. Appellant stond aanvankelijk open voor koop, maar wenste nader onderzoek naar de waarde en verhaalsmogelijkheden.
De rechter-commissaris verklaarde appellant niet-ontvankelijk in haar verzoek en wees het af. Appellant ging in hoger beroep. De rechtbank oordeelde dat appellant wel ontvankelijk was, maar dat de curator met haar wettelijke bevoegdheden al voldoende onderzoek had gedaan en geen verdere informatie kon verkrijgen. De rechtbank vond dat het verzoek niet in het belang van de boedel was, mede omdat de koper haar bod zou intrekken als niet snel werd besloten.
Daarom vernietigde de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris wegens onontvankelijkheid, maar wees het oorspronkelijke verzoek van appellant af. De onderhandse verkoop mocht doorgaan zonder aanvullende voorwaarden of onderzoek.
Uitkomst: Verzoek tot aanvullend onderzoek curator en belemmering onderhandse verkoop wordt afgewezen, maar appellant is ontvankelijk in hoger beroep.