ECLI:NL:RBDHA:2021:10403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 augustus 2021
Publicatiedatum
23 september 2021
Zaaknummer
AWB 20/1084
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening na ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning AMV

Verzoeker, een alleenstaande minderjarige vreemdeling met de Afghaanse nationaliteit, heeft in 2015 asiel aangevraagd in Nederland. Na afwijzing van zijn asielaanvraag en oplegging van een terugkeerbesluit, diende hij in 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden. Deze aanvraag werd in februari 2020 afgewezen en er werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard, stelde hij beroep in bij de rechtbank. Tijdens de zitting in januari 2021 werd het beroep behandeld en later door de meervoudige kamer ongegrond verklaard.

Gezien de beslissing in de hoofdzaak is er volgens de voorzieningenrechter geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening, waardoor het verzoek wordt afgewezen. Verzoeker is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, maar er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de hoofdzaak ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/1084

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Elias).

Procesverloop

Verzoeker is [verzoeker] , geboren op [2001] en met de Afghaanse nationaliteit.
Verzoeker heeft op 13 november 2015 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 27 juli 2016 is de asielaanvraag afgewezen en is aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Dit besluit staat na de uitspraak van de ABRvS [1] van 8 september 2017 in rechte vast.
Verzoeker heeft op 27 mei 2019 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met tijdelijke humanitaire gronden ‘voor verblijf als amv [2] die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.
Bij besluit van 10 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen. Ook is aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Er heeft geen zitting met betrekking tot de voorlopige voorziening plaatsgevonden
,voordat verweerder bij besluit van 2 oktober 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond heeft verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend
.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Malwand-Baraki. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na de zitting is het beroep verwezen naar een meervoudige kamer.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag (zaaknummer: AWB 20/7597) van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats is het hiervoor vermelde, door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
2. Verzoeker heeft verder verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor zowel de beroepsprocedure als deze voorlopige voorzieningprocedure. De voorzieningenrechter beslist in navolging van de meervoudige kamer in de beroepszaak dat verzoeker ook in deze procedure geen griffierecht is verschuldigd, omdat hij voldoende heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het griffierecht.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Alleenstaande minderjarige vreemdeling.