ECLI:NL:RBDHA:2021:10209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 september 2021
Publicatiedatum
20 september 2021
Zaaknummer
AWB 21/2109
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht bij aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag is bij besluit van 29 maart 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris het bezwaar tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk bij besluit van 19 mei 2021.

Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank stelde eiser op grond van artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in kennis van de verplichting tot betaling van griffierecht van €181,-. Ondanks herinneringen en een aangetekende brief waarin werd gewezen op de gevolgen van niet-betaling, heeft eiser het griffierecht niet binnen de gestelde termijn voldaan.

De rechtbank concludeerde dat het niet betalen van het griffierecht aan eiser kan worden toegerekend en verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenverdeling. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager en griffier S.C. Spruijt op 13 september 2021.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/2109

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

v-nummer: [Nummer]
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Bij besluit van 19 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift griffierecht geheven. Voor eiser is het griffierecht vastgesteld op € 181,-.
2. De griffier stelt een termijn voor betaling van het griffierecht. Als binnen deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest [1] .
3. Eiser is op 13 april 2021 schriftelijk gewezen op deze verplichting. Bij aangetekende brief van 12 mei 2021 is eiser eraan herinnerd dat hij nog niet had voldaan aan de uitnodiging om het griffierecht te betalen en is verder meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken diende te zijn overgemaakt. Eiser is er in die brief tevens op gewezen dat bij niet (tijdige) betaling hij het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4. Uit informatie van PostNL blijkt dat op 15 mei 2021 de aangetekende brief door eiser in ontvangst is genomen.
5. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit niet aan eiser is toe te rekenen.
6. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenverdeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, op 13 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan
binnenzes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Dit volgt uit het vierde, vijfde en zesde lid, van artikel 8:41 van Pro de Awb.