ECLI:NL:RBDHA:2021:10073
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Marokkaanse nationaliteithebbende, diende een asielaanvraag in Nederland in, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat dit verzoek had aanvaard.
Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet toegepast mocht worden omdat hij bij terugkeer naar Duitsland het risico liep op indirect réfoulement naar Marokko, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou zijn. De staatssecretaris stelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet zou naleven en dat het enkele feit dat een eerdere asielaanvraag in Duitsland was afgewezen niet volstond om het vertrouwensbeginsel te doorbreken.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet had aangetoond dat het vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet meer kon gelden. De garantie dat Duitsland de asielaanvraag zal behandelen omvat ook de verplichting om het verbod op réfoulement te respecteren. Voor eventuele schendingen na overdracht moet eiser zich tot de Duitse autoriteiten wenden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.