ECLI:NL:RBDHA:2020:9998
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs mishandeling en bedreiging
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en bedreiging aan het slachtoffer in maart 2018. De tenlastelegging omvatte onder meer het slaan en schoppen van het slachtoffer met snoeren en stukken hout, en het bedreigen met de dood.
Tijdens de zittingen op 4 juli 2018 en 23 september 2020 werd verdachte gehoord en bijgestaan door zijn raadsman. De officier van justitie verzocht de rechtbank tot vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten. Na beoordeling van het bewijs oordeelde de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte de feiten had gepleegd.
De benadeelde partij had een schadevergoeding van €7.934,53 gevorderd, bestaande uit materiële en immateriële schade vermeerderd met wettelijke rente. Omdat verdachte werd vrijgesproken, verklaarde de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in deze vordering. Tevens werden de kosten van de verdediging van verdachte tegen deze vordering op nihil gesteld.
Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag op 7 oktober 2020, waarbij de rechtbank verdachte vrijsprak van alle ten laste gelegde feiten en de vordering van de benadeelde partij afwees.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs; schadevordering benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.