ECLI:NL:RBDHA:2020:9994
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Handhaving bestemmingsplan en boeteoplegging wegens gebruik woning voor prostitutie en korte termijn verhuur
De rechtbank Den Haag behandelde drie samenhangende bestuursrechtelijke zaken waarin eiser in beroep ging tegen last onder dwangsom en een boete opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wegens overtredingen van het bestemmingsplan en de Huisvestingswet 2014.
De overtredingen betroffen het gebruik van woningen aan een kade en een straat in Den Haag voor prostitutie en korte termijn verhuur, wat niet binnen de bestemming 'wonen' valt. De inspecties toonden aan dat er prostitutie plaatsvond en dat de woningen werden verhuurd voor slechts enkele dagen, zonder dat er sprake was van reguliere huurders ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
Eiser voerde aan dat sprake was van toegestane vakantieverhuur door reguliere huurders en dat hij als verhuurder niet als overtreder kon worden aangemerkt omdat hij alert was geweest. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij toezicht hield en dat hij niet kon weten dat de woningen voor korte termijn verhuur en prostitutie werden gebruikt. Daarmee werd eiser terecht als overtreder aangemerkt.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de last onder dwangsom ongegrond, maar vernietigde het besluit omtrent de boete voor zover deze niet was aangepast aan de nieuwe Huisvestingsverordening Den Haag 2019. De boete werd vastgesteld op €10.000. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak bevestigt het strikte handhavingsbeleid rond bestemmingsplannen en het gebruik van woningen voor prostitutie en korte termijn verhuur, waarbij eigenaren een actieve rol in toezicht en naleving moeten vervullen.
Uitkomst: Beroepen tegen last onder dwangsom ongegrond, boete vastgesteld op €10.000 en proceskostenvergoeding aan eiser toegekend.