ECLI:NL:RBDHA:2020:9918
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vaststelling aflossingscapaciteit bij terugvordering WIA-uitkering
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde aflossingscapaciteit van €144,68 per maand, omdat verweerder volgens hem de beslagvrije voet had moeten berekenen op 95% van de bijstandsnorm, conform de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet die per 1 januari 2021 in werking zou treden. Hij verwees naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) waarin werd geoordeeld dat vooruitlopend op de wet al rekening moest worden gehouden met deze verhoging bij het opleggen van boetes.
De rechtbank oordeelde dat deze CRVB-uitspraak alleen ziet op boetes en niet op terugvorderingen van ten onrechte betaalde uitkeringen, zoals in deze zaak. Bovendien is de wet nog niet in werking getreden en is er geen aanleiding om vooruit te lopen op de wetgeving in deze situatie. Ook het subsidiaire beroep dat rekening gehouden had moeten worden met zorgkosten en eigen bijdragen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning werd verworpen, omdat deze kosten niet onder de wettelijke bepalingen vallen die de beslagvrije voet verhogen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de aflossingscapaciteit juist heeft berekend op basis van de juiste gegevens en wettelijke bepalingen. Er is geen sprake van een kennelijk onredelijk resultaat. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de aflossingscapaciteit wordt ongegrond verklaard.