ECLI:NL:RBDHA:2020:9842
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- J.Th.W. van Ravenstein
- Rechtspraak.nl
Echtscheiding en hoofdverblijfplaats minderjarige na huwelijk in Eritrea
De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Den Haag, waarbij zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het huwelijk tussen partijen is gesloten in Eritrea in 2013 en wordt door de rechtbank erkend als rechtsgeldig op grond van het Eritrees recht en de Nederlandse erkenningsregels. De man heeft geen bekende verblijfplaats en heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank beoordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het verzoek tot echtscheiding en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te oordelen, omdat de vrouw en het kind hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Hoewel de vrouw geen ouderschapsplan heeft overgelegd, wordt dit geaccepteerd omdat het redelijkerwijs niet mogelijk is dit te overleggen gezien de omstandigheden.
De rechtbank wijst het verzoek tot echtscheiding toe en bepaalt dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben. Deze beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen de beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en bepaalt dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft.