ECLI:NL:RBDHA:2020:9653

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 september 2020
Publicatiedatum
2 oktober 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening opvang asielzoeker door COA

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 24 september 2020 uitspraak gedaan in een verzoek om voorlopige voorziening van een asielzoeker. De verzoeker had op 4 augustus 2020 een aanvraag om opvang ingediend bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), welke aanvraag op 4 augustus 2020 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft verzoeker beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, zodat hij tijdelijk opvang zou krijgen totdat op zijn beroep was beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op 18 september 2020, waarbij partijen zich lieten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De voorzieningenrechter overwoog dat de asielaanvraag van verzoeker door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 30 januari 2020 niet-ontvankelijk was verklaard, omdat verzoeker een status in Griekenland had. Dit besluit had in hoger beroep standgehouden. Het COA had de aanvraag afgewezen omdat verzoeker geen asielzoeker of gelijkgestelde was, en er waren geen bijzondere omstandigheden die opvang rechtvaardigden. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker op basis van de geldende regelgeving geen recht had op opvang, aangezien hij enkel in afwachting was van de definitieve beslissing op zijn artikel 64-procedure.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen acute medische noodsituatie had die opvang door het COA rechtvaardigde. Verzoeker had een dak boven zijn hoofd en kon medische zorg ontvangen. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, omdat het beroep weinig kans van slagen had. Er werd geen veroordeling in proceskosten of vergoeding van griffierecht toegewezen. De uitspraak werd openbaar uitgesproken en er stond geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/6234
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] , verzoeker,
(gemachtigde: [naam] )
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

verweerder, verder: het COA.
(gemachtigde: [naam] )

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2020 heeft het COA de aanvraag van verzoeker om opvang afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroepschrift van 4 augustus 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank (registratienummer AWB 20/6233). Bij brief van dezelfde datum heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekt hem voorlopig opvang te verlenen totdat op het beroep is beslist.
Het COA heeft op 13 september 2020 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek via een SKYPE verbinding op de zitting behandeld op 18 september 2020. Partijen hebben zich daar laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De asielaanvraag van verzoeker heeft de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 30 januari 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker een status in Griekenland heeft. Dit besluit van de staatsecretaris heeft in beroep [1] en in hoger beroep standgehouden. Ook de procedure om uitzetting om medische redenen [2] achterwege te laten, heeft voor verzoeker niet tot het gewenste resultaat geleid. Het beroep daartegen is inmiddels bij deze zittingsplaats aanhangig onder registratienummer AWB 20/6233.
2. Het COA heeft de aanvraag afgewezen omdat het COA alleen asielzoekers opvangt en daarmee gelijkgestelden. Verzoeker is geen asielzoeker of daarmee gelijkgestelde. Hij kan daartoe ook niet worden gerekend op grond van het feit dat er een beroepschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening zijn ingediend in de artikel 64-procedure. Er zijn ook geen zeer bijzondere omstandigheden die maken dat het COA verzoeker moet opvangen.
3. De gronden van verzoeker komen er op neer dat verzoeker (a.) rechtmatig verblijf hier heeft hangende zijn artikel 64-procedure en (b.) zijn medische omstandigheden maken dat hij hier moet worden opgevangen door het COA.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4.1
De voorzieningenrechter beoordeelt alleen het verzoek om de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.2
In de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (verder Rva) staan de regels op grond waarvan verzoeker bij het COA aanspraak kan maken op opvang.
4.3
Van verzoeker loopt geen asielprocedure meer, alleen nog een artikel 64-procedure. Uit artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Rva volgt dat het COA zorg draagt voor opvang voor de vreemdeling wiens uitzetting op grond van artikel 64 van de Vw achterwege blijft, met uitzondering van de vreemdeling die in afwachting is van de definitieve beslissing op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw (…). Verzoeker komt op grond van deze bepaling niet in aanmerking voor opvang. Hij is immers in afwachting van de definitieve beslissing in zijn artikel 64-procedure.
4.4
Wat betreft de medische situatie van verzoeker overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit vaste rechtspraak [3] volgt dat, behoudens een acute medische noodsituatie, die aansluit bij de Rva, verweerder niet kan worden gehouden tot het verlenen van opvang in situaties die niet zijn voorzien in de Rva. Weliswaar blijkt uit de overgelegde stukken dat verzoeker psychische- en vaatproblemen heeft, maar hieruit volgt niet dat sprake is van een acute medische noodsituatie. Verzoeker heeft een dak boven zijn hoofd in de [lokatie] . Ook heeft hij medische zorg op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw. Bovendien blijkt uit voormelde uitspraak van de Afdeling dat een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die geen aanspraak heeft op verstrekkingen door verweerder en meent toch aanspraak te hebben op voorzieningen, waaronder onderdak, niet verweerder moet aanspreken maar zich moet wenden tot de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
4.5
Het beroep op het Abdida-arrest [4] slaagt niet. Verzoeker heeft immers opvang en kan aanspraak maken op medische zorg. Bovendien betreft het arrest Abdida de situatie dat een vreemdeling beroep heeft ingesteld tegen een jegens die vreemdeling uitgevaardigd terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn [5] . Dit is niet het geval.
5. Zoals het er nu voorstaat, heeft het beroep weinig kans van slagen. In dat geval bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht door verweerder bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2020.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 29 juni 2020 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch ECLI:NL:RBDHA:2020:5959.
2.Artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722.
4.Arrest van het Hof van Justitie EU van 18 december 2014, C-562/13, ECLI:EU:C:2014:2453.
5.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 (PB 2008 L 348)