Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Beschikking van de meervoudige kamer
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
Rechtbank Den Haag
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hadden een verschil van mening over de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarige kinderen. De Raad was aanvankelijk niet voorstander van beëindiging, terwijl de gecertificeerde instelling dit wel wilde. De rechtbank heeft op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW beoordeeld of het gezag beëindigd moest worden.
Uit de stukken en de zitting bleek dat er geen ernstige bedreiging meer is voor de ontwikkeling van de minderjarigen, die bij hun vader wonen en het goed doen op school. De moeder erkent het verblijf van de kinderen bij de vader en er is geen sprake van misbruik van gezag. De rechtbank oordeelde dat niet voldaan is aan de criteria voor gezagsbeëindiging en dat het belang van de kinderen is gediend met het in stand laten van het gezamenlijk gezag.
Daarnaast werd het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen omdat de gronden daarvoor niet meer aanwezig zijn. De kinderen ontwikkelen zich goed en hebben zelf regie over het contact met hun moeder. De rechtbank benadrukte het belang van constructieve communicatie tussen ouders en het stimuleren van positief contact tussen de kinderen en hun moeder.
Uitkomst: Verzoek tot beëindiging ouderlijk gezag moeder en verlenging ondertoezichtstelling worden afgewezen.