ECLI:NL:RBDHA:2020:9182

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2020
Publicatiedatum
22 september 2020
Zaaknummer
NL20.10622
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 DublinverordeningArt. 29 DublinverordeningArt. 30 Vw 2000Art. 28 Vw 2000Art. 7.3 Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning en onjuiste berekening overdrachtstermijn Dublinprocedure

Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk werd geacht. Eiser maakte bezwaar tegen de afwijzing van een daaropvolgende aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning, die eveneens werd afgewezen.

De kern van het geschil betrof de vraag of de overdrachtstermijn aan Italië was verstreken en of het bezwaar in de reguliere procedure opschortende werking had op deze termijn. Verweerder stelde dat het bezwaar de overdrachtstermijn opschortte, maar de rechtbank oordeelde dat dit beleid niet op een wettelijke grondslag berustte en dat de opschorting alleen kan plaatsvinden conform artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.

De rechtbank stelde vast dat de overdrachtstermijn op 16 juli 2020 verliep en dat verweerder onjuist was uitgegaan van een latere einddatum. Hoewel de overdrachtstermijn nog niet was verstreken bij de aanvraag van 25 maart 2020, was de motivering van het bestreden besluit ondeugdelijk. De rechtbank vernietigde het besluit en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onjuiste berekening van de overdrachtstermijn.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.10622
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Ceylan, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .
Eiser heeft op 12 juni 2019 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Bij besluit van 13 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 12 juni 2019 in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom Italië gevraagd eiser terug te nemen. Italië heeft hiermee ingestemd op 3 augustus 2019. Dit besluit is bij uitspraak van 16 januari 20202 van
1. Verordening (EU) nr. 604/2013.
2 Procedurenummer NL19.21638.
de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, onherroepelijk geworden. Bij uitspraak van 5 maart 20203 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van 16 januari 2020 bevestigd.
3. Eiser heeft op 19 november 2019 aangifte gedaan van mensenhandel en op
20 november 2019 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier. Bij besluit van 28 november 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft daartegen op 19 december 2019 bezwaar gemaakt. Dat is bij besluit van 31 januari 2020 ongegrond verklaard.
4. Op 25 maart 2020 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hij stelt daarin dat de overdrachtstermijn al op 3 februari 2020 is verstreken. Daarom moet verweerder eisers asielaanvraag in behandeling nemen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar verschillende uitspraken van deze rechtbank, met verschillende zittingsplaatsen.4 In lijn met de genoemde uitspraken heeft het door eiser op 19 december 2020 ingediende bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in het kader
van mensenhandel geen opschortende werking als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening, aldus eiser.
5. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het indienen van een bezwaarschrift van 19 december 2019 in de reguliere procedure de overdrachtstermijn heeft opgeschort. Het indienen van een dergelijk bezwaarschrift heeft van rechtswege schorsende werking. De uitspraken waar eiser in de aanvraag van 25 maart 2020 naar verwijst, staan nog niet in rechte vast omdat de Afdeling nog niet heeft beslist op het hoger beroep van verweerder daartegen. Daarom ziet verweerder geen aanleiding de genoemde uitspraken van de rechtbank te volgen en te concluderen dat de overdrachtstermijn van eiser al is verstreken. Volgens verweerder eindigt eisers overdrachtstermijn op 31 juli 2020. Dat komt omdat op 31 januari 2020 op eisers bezwaarschrift in de reguliere procedure is beslist en daarmee de schorsende werking is komen te vervallen.
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of eisers overdrachtstermijn al dan niet is verstreken en of verweerder aanleiding had moeten zien om van overdracht aan Italië af te zien en eisers opvolgende asielaanvraag in behandeling had moeten nemen.
7. Voor de vraag of een overdrachtstermijn wordt opgeschort is de Dublinverordening bepalend. In artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening staat dat overdracht plaatsvindt binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, opschortende werking heeft. Daaruit leidt de rechtbank af dat de overdrachtstermijn alleen wordt opgeschort overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. In dat lid wordt de lidstaten drie keuzes gegeven om deze opschortende werking in hun nationale recht te
3 Procedurenummer 202000365/1/V1.
4 Te weten: de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 september 2019 met procedurenummer NL19.20111; de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 december 2019 met procedurenummer NL19.23323; en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 24 december 2019, met procedurenummer NL19.29728.
regelen. Nederland heeft gekozen voor de toepassing van artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. In het Nederlandse recht is daarom bepaald dat, indien verweerder een asielverzoek niet in behandeling neemt omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek de asielzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet doen om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten (en de feitelijke overdracht te voorkomen).5 Verweerder staat de asielzoeker toe een dergelijk verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten indien het verzoek binnen 24 uur na bekendmaking van het overdrachtsbesluit is ingediend.6
8. Eiser heeft binnen 24 uur na bekendmaking van het besluit van 13 september 2019 een verzoek om voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit ingediend. De werking van het bestreden besluit is door het verzoek om voorlopige voorziening opgeschort. Het ter zitting ingenomen standpunt van eiser dat in het verzoek om voorlopige voorziening niet expliciet is verzocht om opschorting en dat om die reden de overdrachtstermijn niet is opgeschort, is gelet op overweging 7 niet houdbaar.
9. Verweerders standpunt dat het bezwaar tegen de afwijzing van de reguliere aanvraag de overdrachtstermijn opschort, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Verweerder heeft dat opgenomen in zijn beleid, als beschreven in paragraaf B1/7.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Dit beleid is echter niet gebaseerd op enige bevoegdheid in de Nederlandse wet. De rechtbank ziet in artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening ook geen duidelijke bevoegdheidsgrondslag voor dit beleid. Dit artikellid biedt lidstaten namelijk alleen de mogelijkheid om in hun nationale recht te bepalen dat een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit opschortende werking heeft, wanneer bij een rechterlijke instantie daarom is verzocht in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar tegen het overdrachtsbesluit. Uit (de toelichting bij) WBV 2019/10 blijkt verder niet dat verweerder dit in paragraaf B1/7.2 van de Vc 2000 neergelegde beleid rechtstreeks heeft gebaseerd op het vierde lid van artikel 27 van Pro de Dublinverordening, nog daargelaten het antwoord op de vraag of beleid van verweerder direct op deze bepaling kan worden gebaseerd. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder zijn beleid niet op die in de Dublinverordening aan verweerder gegeven bevoegdheid heeft gebaseerd. Omdat niet duidelijk is op welke wettelijke bevoegdheid het beleid in paragraaf B1/7.2 van de Vc 2000 is gebaseerd, geeft dit beleid geen grondslag voor het standpunt van verweerder dat het bezwaar tegen de afwijzing van de reguliere aanvraag de overdrachtstermijn heeft opgeschort.
10. Omdat deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, op 16 januari 2020 het beroep tegen het besluit van 13 september 2019 ongegrond heeft verklaard, is de overdrachtstermijn op die datum aangevangen. Gelet op artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening verstrijkt de overdrachtstermijn op 16 juli 2020. Dit betekent dat de overdrachtstermijn op het moment van de aanvraag op 23 maart 2020 en ten tijde van de behandeling van het beroep op zitting nog niet was verstreken. Dit maakt dat het standpunt van verweerder dat de overdrachtstermijn niet is verstreken op zichzelf juist is, maar dat verweerder uitgaat van een onjuiste einddatum en dat de motivering van het bestreden besluit niet deugt.
5 Artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000.
6 Paragraaf C2/11 van de Vc 2000.
11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hoewel het standpunt van verweerder dat de overdrachtstermijn niet verstreken was, op zichzelf juist is, stelt de rechtbank vast dat de datum van deze uitspraak gelijk is aan de laatste dag van de overdrachtstermijn. Zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht, is (uitgaande van de overdrachtstermijn tot en met 16 juli 2020) een daadwerkelijke overdracht van eiser niet reëel. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is dus geen aanleiding, omdat verweerder na afloop van de overdrachtstermijn zelf verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.