ECLI:NL:RBDHA:2020:9003
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, met de Tunesische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
Eiser stelde dat er een risico op (in)direct réfoulement bestaat omdat zijn eerdere asielaanvragen in Duitsland waren afgewezen en dat Nederland daarom de behandeling zelf had moeten overnemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd om het tegendeel aannemelijk te maken.
Duitsland garandeert volgens het claimakkoord dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen en dat uitzetting niet in strijd is met het verbod op réfoulement. Eiser heeft de mogelijkheid om klachten in Duitsland in te dienen als zijn rechten niet worden nageleefd. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht Duitsland als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen en dat het beroep ongegrond is verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.